Meten van Nederlands aandeel in defensie

De regering moet in het Nationaal Programma Defensie-industrie en Innovatie een nulmeting en een streefcijfer opnemen voor het deel van defensie-investeringen dat in Nederland wordt gemaakt. Alleen door dit te meten, kan het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensie-opdrachten worden vergroot.

Motie van de leden Keijzer en Nanninga over een nulmeting en streefcijfer opstellen voor het deel van de defensie-investeringen dat in Nederland wordt geproduceerd

De kamer, constaterende dat de Defensienota streeft naar minstens 50% inkoop bij Nederlandse en Europese ondernemers, zonder het Nederlandse aandeel daarin te benoemen; overwegende dat het kabinet het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensieopdrachten wil vergroten en dat sturen begint met meten; verzoekt de regering in het Nationaal Programma Defensie-industrie en Innovatie een nulmeting en een streefcijfer op te nemen voor het deel van de defensie-investeringen dat in Nederland wordt geproduceerd, en de Kamer daarover bij begroting en jaarverslag te informeren.
8 oktober | Keijzer, JA21 | Verworpen |

Stemverwachting

Verkiezingsprogramma PvdD

Stemverwachting: tegen (vrij zeker, 75%)

Argumenten voor: De partij ziet mogelijkheden voor Nederland om zich te richten op hoogwaardige maakindustrie, waarvoor de juiste kennis, kunde en ruimte aanwezig zijn [2].

Argumenten tegen: De partij stelt dat niet alles in Nederland geproduceerd hoeft te worden vanwege de schaarste aan ruimte [1]. Daarnaast benadrukt de partij dat strategische autonomie op Europees niveau moet worden nagestreefd, aangezien dit voor Nederland alleen niet haalbaar is [2]. Tevens wordt de efficiëntie van Europese samenwerking bij defensie-inkopen benadrukt [1].

Bronnen:

  1. "Niet alles hoeft in Nederland, want de ruimte is schaars. Europese landen gaan efficiënter samenwerken bij het aankopen van defensiematerieel."
  2. "We kiezen voor een economie die werkt vóór dier, mens en planeet, in plaats van ten koste van hen. Dat betekent: het maken en gebruiken van spullen binnen de draagkracht van de Aarde, met respect voor leven en toekomst. Het betekent ook dat we de economie democratiseren, en publieke voorzieningen niet langer overlaten aan de markt maar in handen van de samenleving brengen. Hiervoor zullen we ook heel duidelijke keuzes moeten maken over welke industrie wél een toekomst heeft in Nederland en welke industrie niet. Strategische autonomie is van belang op Europees niveau, maar niet haalbaar voor Nederland alleen. Er zijn sectoren, zoals staalproductie en andere energie-intensieve basisindustrie, die beter passen in landen waar meer ruimte is en goedkope groene energie. Nederland kan zich richten op hoogwaardige maakindustrie, waarvoor hier de juiste kennis, kunde en ruimte is. Een visie vanuit de overheid op hoe Nederland er in de toekomst uit zal zien is hiervoor onmisbaar."