De regering moet meer landelijke regie voeren op de vergunningverlening voor bouwgrondstoffen. Er is te weinig zand, grind en klei beschikbaar omdat de vergunningen vastlopen. Dit belemmert de bouw van nieuwe woningen. De regering moet daarom een plan maken voor landelijke controle op de winning van deze stoffen. De adviesgroep STOER adviseert hiervoor actieve rijksregie.
Motie van het lid Mooiman c.s. over werk maken van het advies van de werkgroep STOER ten aanzien van bouwstoffenwinning
De kamer,
constaterende dat de adviesgroep STOER stelt dat de beschikbaarheid van
primaire bouwgrondstoffen onder druk staat;
constaterende dat de vergunningverlening voor bouwgrondstoffen stokt
en dat dit problemen oplevert voor de realisatie van nieuwe woningen;
overwegende dat voldoende beschikbaarheid van zand, grind en klei een
belangrijke randvoorwaarde is voor de realisatie van de woningbouwopgave;
overwegende dat STOER adviseert om actieve rijksregie te voeren op
provinciale vergunningverlening voor bouwgrondstoffen;
verzoekt de regering werk te maken van het advies van de werkgroep
STOER ten aanzien van bouwstoffenwinning en een concreet en tijdig
plan op te stellen voor meer landelijke regie, teneinde de continuïteit van
de winning te kunnen waarborgen;
verzoekt de regering tevens het grote belang van de woningbouwopgave
mee te nemen in de integrale afweging van de oppervlaktedelfstoffenwinning, en deze spoedig aan de Kamer aan te bieden.
Argumenten voor: De partij stelt dat nationale regie op de volkshuisvesting en ruimtelijke ordening nodig is om de woningbouwdoelstellingen te behalen [1]. Zij pleiten voor centrale regie waarbij de overheid de keuzes maakt om duidelijkheid te bieden aan provincies en gemeenten [2], en voor het creëren van een landelijk stelsel met uniforme spelregels [4]. Daarnaast wil de partij de ruimtelijke ordening integraal bekijken [2], wat aansluit bij het verzoek in de motie om de woningbouwopgave mee te nemen in de integrale afweging van de winning van bouwstoffen.
Argumenten tegen: In het programma wordt vermeld dat provincies juist meer inspraak en een aanjagende rol krijgen in het gemeentelijke bouwbeleid [3], wat mogelijk op gespannen voet staat met de in de motie voorgestelde landelijke regie op de provinciale vergunningverlening.
Bronnen:
"Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening krijgt een structureel budget waarmee het doel van 1 miljoen woningen bouwen ook echt gehaald kan worden. Daarnaast is nationale regie op de volkshuisvesting en ruimtelijke ordening nodig om nieuwe problemen in de toekomst te voorkomen. Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt langetermijnbeleid op voor een stabiele en proactieve sturing op een toekomstbestendig en blijvend passend woningbestand in Nederland."
"We moeten centraal regie voeren op de ruimtelijke ordening en deze integraal bekijken. Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) moet de keuzes voor de toekomst maken, zodat provincies en gemeenten meer duidelijkheid krijgen. Dan kunnen we in heel Nederland toekomstbestendig bouwen. Volt wil aan de Nota Ruimte een visie toevoegen voor Nederland in 2100. Hierin zorgen we dat er in de toekomst ruimte is voor duurzame landbouw, wonen, natuur, industrie en infrastructuur, met als uitgangspunt een duurzame leefomgeving voor mens en natuur. We passen de Woningwet aan, zodat in de besluitvorming rekening gehouden moet worden met het klimaat en andere leefomstandigheden over 30 jaar."
"De provincies krijgen meer inspraak en een aanjagende rol in het gemeentelijke bouwbeleid. Provincies zetten onder andere hun kennis en kunde in, bijvoorbeeld om gemeenten te helpen bouwplannen en vergunningsaanvragen te beoordelen."
"Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening harmoniseert waar mogelijk gemeentelijke bouw- en omgevingsregels om transities te versnellen, of stelt samen met gemeenten kaders daarvoor op. Zo creëren we één landelijk stelsel van uniforme spelregels voor de (ver-) bouw van nieuwe en bestaande woningen, waarop maar heel beperkt uitzonderingen mogelijk zijn. Daarmee maken we het woningbouwbeleid eenvoudiger toe te passen en beter uitlegbaar. Ook innovatieve bouwmethoden kunnen op deze wijze sneller en vaker grootschalig worden ingezet."