De regering moet de Raad voor Dierenaangelegenheden vragen om de verschillen in dierenwelzijn tussen Nederland en andere EU-landen te onderzoeken. Dit moet gebeuren in het licht van de European Livestock Strategy (een nieuw Europees plan voor de veehouderij). Verschillen in regels zorgen namelijk voor een oneerlijke concurrentie voor Nederlandse boeren.
Motie van de leden Koorevaar en Den Hollander over verschillen in dierenwelzijnseisen tussen Nederland en andere lidstaten relateren aan de European Livestock Strategy
De kamer,
constaterende dat een goed overzicht ontbreekt van aanvullende
technische voorschriften en criteria in andere lidstaten ten opzichte van de
Europese minimumnormen;
overwegende dat verschillen in dierenwelzijnseisen gevolgen kunnen
hebben voor het gelijke speelveld, marktontwikkelingen en het verdienmodel van Nederlandse veehouders;
overwegende dat de Europese Commissie in juli de European Livestock
Strategy presenteert, die richtinggevend zal zijn voor de toekomstige
ontwikkeling van de Europese veehouderij;
verzoekt de regering de Raad voor Dierenaangelegenheden te vragen
voorbeelden van verschillen in dierenwelzijnseisen tussen Nederland en
andere lidstaten te relateren aan de aankomende European Livestock
Strategy en te onderzoeken hoe deze inzichten kunnen bijdragen aan
verbetering van dierenwelzijn in de Europese Unie, het borgen van een
eerlijk speelveld en een duurzaam verdienmodel voor Nederlandse
veehouders, en de Kamer over de uitkomsten te informeren.
Argumenten voor: De partij stelt dat Nederlandse bedrijven momenteel geen gelijk Europees speelveld ervaren [1]. Daarnaast benadrukt de partij dat Nederlandse productie die aan de hoogste standaarden voldoet, niet weggeconcurreerd mag worden door vergelijkbare producten met lagere standaarden, wat expliciet geldt voor dierlijke producten [2].
Argumenten tegen: De partij voert aan dat besluitvorming bij voorkeur op het laagst mogelijke niveau moet plaatsvinden (subsidiariteit) en dat er ruimte moet blijven voor eigenheid en verschillen tussen lidstaten [3].
Bronnen:
"Nederlandse bedrijven ervaren momenteel geen gelijk Europees speelveld, bijvoorbeeld als het gaat om staatssteun of Nederlandse nettarieven die hoger zijn dan in buurlanden. Ook vangen verschillende Europese landen elkaar vliegen af door belastingconcurrentie om grote bedrijven binnen te halen. Dat moet anders. Er komen Europese ondergrenzen en een vergelijkbaar én mondiaal aantrekkelijk Europees (fiscaal) speelveld met duidelijke en handhaafbare kaders voor nationale staatssteun."
"Regels die voor Nederlandse bedrijven gelden, zijn ook van kracht op geïmporteerde goederen. Het kan en mag niet zo zijn dat Nederlandse productie die voldoet aan de hoogste standaarden wordt weggeconcurreerd doordat vergelijkbare producten met lagere standaarden wel geïmporteerd mogen worden, zoals gebeurt met dierlijke producten."
"Europese samenwerking begint met duidelijkheid over bevoegdheden. Het moet helder zijn waar lidstaten zelf verantwoordelijk voor zijn en waar de Europese Unie wel of niet over gaat. Voor de ChristenUnie is subsidiariteit het uitgangspunt: besluiten worden genomen op het laagst mogelijke niveau, zo dicht mogelijk bij mensen. Wij verzetten ons tegen Europese bemoeizucht op terreinen waar de EU geen mandaat heeft, zoals gezondheidszorg, medische ethiek, onderwijs of woningbouw. Zelfs wanneer Europese besluitvorming wenselijk of noodzakelijk is, blijft ruimte voor eigenheid en verschillen tussen lidstaten en regio's essentieel. Bij wijzigingen in de EU-verdragen besluit de Tweede Kamer met tweederdemeerderheid."