De regering moet samen met de geitensector onderzoeken of de aanpak uit de pluimveehouderij ook werkt voor geitenboeren. In de pluimveesector is fijnstof (kleine stofdeeltjes in de lucht) al verminderd. Dit gebeurde met gerichte maatregelen, zonder extra regels over de afstand tussen boerderijen en woningen.
Motie van het lid Wiersma over onderzoeken hoe de aanpak van het sectorplan fijnstof uit de pluimveehouderij kan worden toegepast binnen de geitenhouderij
De kamer,
constaterende dat de pluimveesector via een sectorplan fijnstof en
gerichte maatregelen nabij gevoelige locaties gezondheidsrisico’s heeft
verminderd zonder aanvullende generieke afstandsnormen;
overwegende dat een vergelijkbare aanpak mogelijk ook voor de
geitensector perspectief kan bieden;
verzoekt de regering samen met de geitensector te onderzoeken hoe de
aanpak van het sectorplan fijnstof uit de pluimveehouderij kan worden
toegepast binnen de geitenhouderij.
Argumenten voor: De partij wil af van middelvoorschriften en pleit voor ondernemerschap op basis van doelsturing, waarbij doelen op bedrijfsniveau worden gemeten [2]. Daarnaast wordt er gestreefd naar sectorgebonden emissieplafonds [1] en wil de partij dat ondernemers de ruimte krijgen om emissies zelf te monitoren en via eigen maatregelen aan heldere doelstellingen te voldoen [3].
Argumenten tegen: Het verkiezingsprogramma biedt geen argumenten om een sectorale aanpak of het overnemen van een sectorplan voor de geitensector af te wijzen.
Bronnen:
"Fors verminderen van de stikstofuitstoot: We gaan zorgen voor concrete, generieke stikstofreductie door te sturen op emissies waarbij alle sectoren evenredig bijdragen. Zo komt er weer ruimte voor vergunningverlening. De huidige wetgeving kent reductiedoelen voor de berekende hoeveelheid neerslag op natuurgebieden. We gaan deze KDW-doelen vervangen door sectorgebonden emissieplafonds, inclusief wettelijke tussendoelen, die optellen tot 50% geborgde emissiereductie in 2035. Daarnaast is er een gebiedsgerichte aanpak nodig voor de gebieden waar de problematiek het zwaarst speelt, zoals bij De Peel en De Veluwe, met regionale betrokkenheid noodzakelijke keuzes over aanvullende emissiereductie en extensivering. Rijk, provincies en gemeenten moeten samenwerken om te komen tot een effectieve uitvoering, onder meer met ruimtelijke ordeningsinstrumentarium, ondersteuning van nieuwe verdienmodellen, vrijwillige regelingen en gerichte inzet van middelen voor agrarisch natuurbeheer."
"Ondernemerschap op basis van doelsturing: We willen een agrarische sector die past bij de draagkracht van de omgeving. Vervuiling en emissies willen we waar nodig dus verminderen. Daarvoor zijn middelvoorschriften, zoals verplichte oogstdata, makkelijk voor de overheid, maar die beperken ondernemerschap. We gaan de handen ineenslaan met het bedrijfsleven om over te gaan op afrekenbare doelen en metingen op bedrijfsniveau. Doelen op het gebied van bodemvruchtbaarheid en waterkwaliteit worden het uitgangspunt van ons bemestingsbeleid. Op het moment dat doelsturing aantoonbaar tot resultaat leidt, schaffen we middelvoorschriften af."
"De boer aan het roer: Op basis van een nationaal stikstofemissieplafond krijgen landbouwbedrijven een reductiedoelstelling met afrekenbare normen per hectare of per dier. Agrarische ondernemers worden dan niet meer afgerekend op modelmatig berekende neerslag, maar kunnen hun emissies monitoren en krijgen de ruimte om te voldoen aan een heldere doelstelling op een manier die past bij hun bedrijf. Bijvoorbeeld met extensivering, managementmaatregelen of stikstofreducerende innovaties."