Ruimte voor gebiedsplannen voor natuur

De regering moet provincies en gemeenten meer ruimte geven voor gebiedsplannen, ook buiten aangewezen zones. Zo kunnen natuurdoelen collectief worden gehaald op basis van wat de natuur en boeren in een regio echt nodig hebben. Nu moeten bedrijven zich vaak strikt houden aan regels voor uitstoot en landgebruik.

Motie van het lid Flach c.s. over ook buiten eventuele aangewezen zones op collectieve wijze aan opgaven mogen voldoen

De kamer, verzoekt de regering provincies en gemeenten ten minste ruimte te geven om via een gebiedsplan ook buiten eventuele aangewezen zones op collectieve wijze aan de opgaven te voldoen in plaats van het afrekenen van bedrijven op bedrijfsgebonden emissienormen en grondgebondenheidsnormen, gebaseerd op wat natuurgebieden en boerenbedrijven in de regio nodig hebben.
1 juli | SGP, BBB, CU, JA21 | Verworpen: 54–96 |

Stemuitslag

Verkiezingsprogramma CU

Stemverwachting: tegen (erg zeker, 90%)

Argumenten voor: De partij spreekt over het opstellen van regionale stikstofbalansen waarbij gebiedsspecifieke emissieplafonds gelden voor de industrie [3]. Daarnaast wordt genoemd dat provincies gebiedsgericht met voorrang vrijgekomen stikstofruimte beschikbaar moeten stellen aan PAS-melders [5].

Argumenten tegen: De partij zet sterk in op het vastleggen van landelijke, sectorale en uiteindelijk bedrijfsspecifieke emissienormen [4]. Zij willen dat abstracte landelijke doelen bedrijfsspecifiek worden gemaakt om boeren in hun kracht te zetten [2] en dat elk boerenbedrijf een bindend bedrijfsspecifiek doel krijgt [1]. Tevens wordt een norm voor de verhouding tussen productie en grond per bedrijf voorgesteld [6].

Bronnen:

  1. "De stikstofuitstoot wordt de komende tien jaar gehalveerd ten opzichte van 2019, zowel de uitstoot van stikstofoxiden in de mobiliteit en industrie als ammoniakuitstoot in de landbouw. Alle sectoren dragen naar rato bij. We stappen af van ingewikkelde berekeningen over waar stikstof precies terechtkomt en richten ons op het verminderen van de daadwerkelijke uitstoot. Ondernemers en dus ook boeren benaderen we vanuit vertrouwen in hun vakmanschap. Daarom stappen we zo veel mogelijk over van sturen op middelen naar sturen op doelen. Elk boerenbedrijf krijgt een bindend bedrijfsspecifiek doel dat is afgeleid van de landelijke opgave en sectorale emissieplafonds. Er komt daarmee veel minder nadruk in het beleid op opkoop van boerenbedrijven. De nadruk op emissie- en doelsturing is effectiever, zorgt ervoor dat er minder boerenbedrijven verdwijnen en vergt ook minder belastinggeld. Immers, met managementmaatregelen, slimme innovaties en een gunstige extensiveringsregeling in kwetsbare gebieden, zodat een bedrijf met minder vee uit kan, is aanzienlijke ammoniakreductie mogelijk. Er komt een agrarische hoofdstructuur, waar ruimte blijft voor hoogproductieve landbouw, en overgangszones rond natuurgebieden, waarin sprake is van extensivering van veehouderij en landgebruik. Grondgebondenheid in de melkveehouderij is een randvoorwaarde en gaan we na decennia van discussie eindelijk wettelijk vastleggen."
  2. "Boeren moeten weer kunnen ondernemen. Er komt daarom zoveel mogelijk doelsturing in plaats van middelvoorschriften. Om de boer in zijn kracht te zetten, worden abstracte, landelijke doelen bedrijfsspecifiek gemaakt. De overheid werkt vanuit vertrouwen in het vakmanschap van de boer, en ondersteunt waar nodig. In plaats van bijvoorbeeld kalenderlandbouw, waarbij boeren op zandgrond verplicht zijn hun aardappels vóór 1 oktober te oogsten terwijl die nog niet volgroeid zijn, krijgt de boer zelf de ruimte om keuzes te maken die passen binnen de gestelde emissienormen. Het huidige stikstofbeleid is te veel gericht op de neerslag (depositie) van stikstof. Dit levert schijnzekerheid en complexe techniek op zoals het Aerius-model. Daar willen we van af. Om ondernemers aan de slag te laten gaan met stikstofreductie wordt er gestuurd op emissies. Duurzaamheidsdashboards zoals de Kringloopwijzer in de melkveehouderij en benchmarkingsinitiatieven in onder andere de akkerbouwsector worden verder uitgerold. Aan dergelijke instrumenten worden eerst beloningen en op termijn heffingen of sancties verbonden. We steunen jonge boeren en zij-instromers door bedrijfsovername makkelijker te maken, bijvoorbeeld met garantieregelingen. Kortlopende, vrije pacht wordt ontmoedigd en langlopende, loopbaanbestendige pacht gestimuleerd. De overheid helpt boeren die willen extensiveren actief aan de benodigde grond via de Nationale Grondbank."
  3. "De stikstofproblematiek vraagt om duurzame mobiliteitsvormen. Het aantal vliegbewegingen in Nederland gaat naar beneden, ook de automobiliteit draagt bij. Industrieën met een hoge stikstofuitstoot krijgen, naast klimaatdoelen, bindende stikstofdoelen opgelegd. De regering maakt maatwerkafspraken met industriële piekbelasters. Ook worden er regionale stikstofbalansen opgesteld, zoals in Rijnmond en Chemelot, waar gebiedsspecifieke emissieplafonds gaan gelden. Industriële processen worden waar mogelijk verder geëlektrificeerd. In alle sectoren geldt dat aantoonbare stikstofreductie moet leiden tot vergunningverlening. In het stikstofbeleid gaan we daarom onderscheid maken tussen stikstofoxiden uit de pijp of uitlaat (NOx) en ammoniak uit dieren (NH3). Op die manier kan vergunningverlening voor bijvoorbeeld woningbouw en de aanleg van elektriciteitsnetten versneld worden. De relatief snelle daling van"
  4. "Stikstofwetgeving moet in de praktijk werkbaar zijn. Sturen op neerslag van stikstof in de natuur (depositie) is onwerkbaar gebleken. Het herleiden van depositiewaardes naar bedrijven is immers uiterst ingewikkeld en onzeker. Daarom moeten er landelijke, sectorale en uiteindelijk bedrijfsspecifieke emissienormen worden vastgelegd. Natuurlijk geldt de kritische depositiewaarde nog als indicator van de staat van de natuur, maar als wettelijk doel om op te sturen is de KDW onverstandig gebleken. Op deze manier creëren we handelingsperspectief. Om de bouw van woningen en wegen los te trekken voeren we een houdbare NOx-bouwvrijstelling in. Dit alles gaat samen met ambitieus emissiereductiebeleid."
  5. "boerenbedrijven die PAS-melder zijn niet over de juiste vergunningen. We zetten alles op alles om deze groep ondernemers te legaliseren met een natuurvergunning. Zo moeten de provincies gebiedsgericht met voorrang vrijgekomen stikstofruimte ter beschikking stellen aan deze ondernemers. Daarvoor moet wel voldaan worden aan het additionaliteitsvereiste. Legalisering kan daarom niet losstaan van op natuurherstel gerichte maatregelen in combinatie met een geborgd emissiereductieplan. PAS-melders met een lage impact op de natuur worden via een versnelde, eenvoudige procedure gelegaliseerd. Op Europees niveau wordt ingezet op het hanteren van realistische referentiedata voor de staat van de natuur."
  6. "De komende tien jaar werken we toe naar een melkveesector in balans met de omgeving. Daarom komt er een onderbouwde norm voor de verhouding tussen productie en bijbehorende grond per bedrijf. Dit kan op verschillende manieren worden ingevuld, waarbij grasland behouden blijft en de samenwerking tussen veehouders en akkerbouwers wordt bevorderd. Door het schrappen van de derogatie blijven Nederlandse boeren met enorme mestoverschotten zitten. Om deze te dempen, streven we voor alle diersectoren naar een beter sluitend kringloopsysteem van mest, gewas, voer, voedsel en restproducten. Dat houdt ook in dat we veel minder veevoer uit bijvoorbeeld Zuid-Amerika gaan importeren. De kalverhouderij wordt in balans gebracht met de melkveehouderij en de import van kalveren wordt ingeperkt. Het verbod op nieuwe geitenstallen blijft van kracht gedurende"