De regering moet in onderzoek naar academische vrijheid kijken naar de autonomie van universiteiten en hogescholen. De minister mag nu namelijk nog te veel invloed uitoefenen op deze instellingen. Academische vrijheid is essentieel om onderzoek in alle vrijheid uit te kunnen voeren.
Motie van de leden Abdi en Rooderkerk over in het brede onderzoek naar academische vrijheid institutionele autonomie meenemen als factor van belang
De kamer,
constaterende dat de leden van de raad van toezicht van universiteiten
door de Minister van OCW worden benoemd, geschorst en ontslagen, en
dat de Minister de raad van toezicht van hogescholen een aanwijzing kan
geven;
constaterende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde dat
academische vrijheid ruim moet worden opgevat, in de zin dat die ook
een «institutionele en organisatorische» dimensie heeft en de autonomie
van hogeronderwijsinstellingen een voorwaarde is om individuele
wetenschappers hun onderzoek in vrijheid te laten uitvoeren;
van mening dat de ministeriële stelselverantwoordelijkheid voor
hogescholen en universiteiten niet mag betekenen dat de Minister
gemotiveerde invloed kan uitoefenen op hogeronderwijsinstellingen;
verzoekt de regering te onderzoeken of het mogelijk is om in het brede
onderzoek naar de academische vrijheid (zoals aangekondigd in de
Kamerbrief van 18 december 2025) de institutionele autonomie als factor
van belang mee te nemen en de Kamer hierover te informeren.
Argumenten voor: De motie pleit voor het onderzoeken van institutionele autonomie in het onderwijs om ministeriële invloed te beperken. Dit sluit aan bij de focus op 'Overheidsefficiëntie en Autonomie' [1], waarbij de partij expliciet stelt dat de overheid zich moet concentreren op kerntaken en niet moet ingrijpen waar zij 'geen meerwaarde biedt' [3]. Minder ministeriële bemoeienis past bij het streven naar een 'slanke overheid' [3] en het kritisch tegen het licht houden van overheidsorganen [3].
Argumenten tegen: Er zijn geen directe argumenten in het programma te vinden die pleiten voor meer ministeriële controle over universiteiten of hogescholen. Enkel de positie als kenniseconomie en het belang van onderwijskwaliteit worden benadrukt [2], maar dit is niet in strijd met grotere institutionele autonomie.
Bronnen:
"1.3 Minister voor Overheidsefficiëntie en Autonomie"
"Nederland staat wereldwijd bekend om de hoge kwaliteit van haar hoger onderwijs. Voor ons land als kennisecono -mie is het van absoluut belang dat we deze toppositie weten te behouden. De bezuiniging op het wetenschappelijk onderwijs van €500 miljoen moet wat JA21 betreft dan ook ongedaan worden gemaakt."
"De minister voor Overheidsefficiëntie en Autonomie krijgt duidelijke taken: in de eerste plaats het terugdringen van de sluipende groei van de bureaucratie en het stoppen van de steeds snellere groei binnen ministeries en andere overheidsinstanties. De minister dient regels, instanties en het woud aan ongekozen adviesraden en overheidsorganen kritisch tegen het licht te houden, zodat onno -dige overheidsstructuren kunnen worden afgebouwd of samengevoegd. Zo kan de overheid zich weer concentreren op haar kerntaken, en niet ingrijpen waar de over -heid geen meerwaarde biedt. De slanke overheid die dit beleid op moet leveren is niet alleen goedkoper, maar ook efficiënter."