Vertrek van de Nederlandse industrie monitoren

De regering moet onderzoeken of de industrie uit Nederland verdwijnt. Hoge energiekosten en problemen met het stroomnet (netcongestie) zorgen voor druk op bedrijven. Als bedrijven naar het buitenland gaan, verdwijnen banen en stijgt de wereldwijde CO2-uitstoot soms zelfs. Ook wordt Nederland afhankelijker van andere landen. De regering moet deze risico's goed in kaart brengen.

Motie van de leden Boomsma en Van den Berg over de-industrialisering en weglek monitoren

De kamer, constaterende dat de Nederlandse industrie onder toenemende druk staat door hoge energiekosten en netcongestie; constaterende dat verplaatsing van bedrijvigheid naar het buitenland kan leiden tot weglekeffecten, waarbij productie en werkgelegenheid verdwijnen uit Nederland zonder dat de mondiale CO2-uitstoot afneemt en per saldo soms juist toeneemt; overwegende dat het voor effectief klimaat- en industriebeleid van belang is om niet alleen de nationale CO2-reductie te meten, maar ook dergelijke weglekeffecten te betrekken, en daarnaast rekening te houden met strategische afhankelijkheden; verzoekt de regering de de-industrialisering en weglek te monitoren op de volgende punten: – de verplaatsing van industriële activiteiten uit Nederland naar andere landen; – de weglekeffecten daarvan en dus de gevolgen niet alleen voor de Nederlandse maar ook voor de mondiale CO2-uitstoot; – de gevolgen voor strategische afhankelijkheden en leveringszekerheid; – en de Kamer hierover een zo goed mogelijke rapportage te geven.
3 juni | JA21 |

Stemverwachting

Verkiezingsprogramma CU

Stemverwachting: voor (erg zeker, 90%)

Argumenten voor: De partij stelt expliciet dat vermindering van uitstoot in Nederland niet mag leiden tot hogere uitstoot elders en zet daarom in op een Europees gelijk speelveld om weglek te minimaliseren [1]. Daarnaast wordt benoemd dat nationale heffingen die bovenop Europese maatregelen komen, de vervuiling kunnen verplaatsen in plaats van verminderen, en dat deze effecten meegewogen moeten worden bij de beleidsvorming [3]. Tevens ziet de partij klimaatbeleid als een middel om de energieonafhankelijkheid te vergroten [2], wat aansluit bij de wens om strategische afhankelijkheden te monitoren.

Argumenten tegen:

Bronnen:

  1. "Wij zien het Akkoord van Parijs en de Europese doelstellingen die daarop zijn gebaseerd als een goede basis. Dat geldt ook voor de Nederlandse Klimaatwet waarin is vastgelegd dat we in 2030 55% CO2-reductie moeten hebben behaald ten opzichte van 1990. De ChristenUnie richt zich op een hogere reductie in 2030, zodat tegenvallers er niet direct toe leiden dat we het minimale doel niet halen. Vermindering van uitstoot in eigen land mag niet leiden tot hogere uitstoot elders. Daarom wordt bij klimaatbeleid zoveel mogelijk ingezet op een Europees gelijk speelveld, met zo min mogelijk weglek. We normeren verstandig, maken gerichte afspraken met (top)sectoren en subsidiëren innovatie, zoals via schoon- en emissieloos bouwen. In het Klimaatfonds trekken we extra geld uit voor energie-infrastructuur, zoals elektriciteits- en wartmenetten, isolatie van huizen en verduurzaming van de industrie, zodat Nederland een sterke en schone industriële sector behoudt."
  2. "Om de schepping te bewaren is ambitieus klimaatbeleid noodzakelijk. Bovendien draagt goed klimaatbeleid bij aan energieonafhankelijkheid: we zijn nu voor onze energievoorziening afhankelijk van landen waar we niet afhankelijk van willen zijn. Dat moet stoppen. Klimaatverandering houdt zich niet aan grenzen: het is een wereldwijd vraagstuk dat een internationale aanpak vraagt. Daarom is het goed dat Nederland zich al jaren, in internationaal verband, inzet voor goede, bindende afspraken om de impact van het menselijk gedrag op het klimaat te verkleinen."
  3. "We zien aanvullende Europese regelgeving voor verduurzaming en maatschappelijk verantwoord ondernemen niet als bedreiging, maar als een kans. Het is zaak om dergelijke regelingen proactief en verstandig te implementeren, om niet de boot te missen, en te voorkomen dat het bedrijfsleven wordt overladen met onnodige regeldruk en onduidelijkheid. De opbrengsten van beprijzingsmechanismen als ETS-2 komen ten goede aan de vergroening van de economie en financiële compensatie van bedrijven en burgers. Nationale heffingen bovenop Europese maatregelen zijn niet altijd effectief, omdat vervuiling in sommige gevallen niet minder wordt, maar simpelweg verplaatst. Dergelijke effecten moeten worden meegewogen bij beleidsvorming."