De regering moet voorkomen dat steun voor blauwe waterstof zorgt voor meer afhankelijkheid van aardgas. Blauwe waterstof wordt namelijk gemaakt met aardgas. Nederland wil juist minder afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen. De steun aan blauwe waterstof mag de import van aardgas dus niet vergroten.
Motie van het lid Klos over waarborgen dat voorwaarden en eventuele steunmaatregelen voor blauwe waterstof niet leiden tot extra aardgasimport of -afhankelijkheid
De kamer,
constaterende dat blauwe waterstof een tijdelijke rol kan spelen bij het
opbouwen van de waterstofmarkt;
overwegende dat investeringen in blauwe waterstof kunnen leiden tot
langdurige afhankelijkheid van aardgas;
overwegende dat Nederland juist minder afhankelijk wil worden van
fossiele brandstoffen en energie-import uit het buitenland;
overwegende dat publieke steun voor blauwe waterstof alleen gerechtvaardigd is als deze daadwerkelijk leidt tot snelle CO2-reductie en geen
nieuwe fossiele afhankelijkheden creëert;
verzoekt de regering om bij de uitwerking van voorwaarden en eventuele
steunmaatregelen voor blauwe waterstof te waarborgen dat deze niet
leiden tot extra aardgasimport of -afhankelijkheid.
Argumenten voor: De partij bekritiseert het gebruik van symboolpolitiek waarbij de focus ligt op het vooroplopen in plaats van op een werkelijke vermindering van de CO2-uitstoot [1]. De motie sluit hierbij aan door te eisen dat blauwe waterstof daadwerkelijk bijdraagt aan CO2-reductie en geen nieuwe afhankelijkheid van fossiele brandstoffen creëert. Daarnaast wil de partij de CO2-reductie versnellen [3], wat overeenkomt met het doel in de motie om te waarborgen dat steunmaatregelen effectief zijn.
Argumenten tegen: De partij wil stoppen met het voeren van actieve industriepolitiek op zowel nationaal als Europees niveau [2]. Omdat de motie spreekt over het uitwerken van voorwaarden en eventuele steunmaatregelen voor de waterstofsector, kan dit worden gezien als een vorm van actieve industriepolitiek waar de partij tegen is.
Bronnen:
"De wens om voorop te lopen, vaak met symboolpolitiek, was sterker dan een werkelijke toewijding aan vermindering van de CO2-uitstoot of aan het beschermen van de Nederlandse welvaart. Dat vraagt om nieuwe maatregelen en correctie van al bestaande maatregelen."
"Stoppen met actieve industriepolitiek op nationaal en op Europees niveau, omdat dit beleid altijd eindigt in tranen. Hierbij kunnen tijdelijk uitzonderingen gelden voor kritieke militair-industriële doelen."
"Het optimaal beprijzen van CO2 op Europees niveau, zodat CO2-reductie wordt versneld zonder de concurrentiepositie van Nederland aan te tasten."