Geen EU-regels voor onderwijs en gezin

De regering moet in Europa geen steun geven aan nieuwe EU-regels over onderwijs, gezinsbeleid en familierecht via de Europese lhbtiq+-strategie. Nederland moet namelijk zelf bepalen hoe deze zaken worden geregeld. Onderwijs en gezinsbeleid zijn namelijk nationale zaken waarover een land zelf beslist, niet de Europese Unie.

Motie van het lid Clemminck over geen steun geven aan bindende EU-verplichtingen op het terrein van onderwijs, gezinsbeleid en familierecht die verder gaan dan Europese verdragen toestaan

De kamer, constaterende dat de Europese lhbtiq+-strategie raakt aan onderwerpen als onderwijs, gezinsbeleid, sociale inclusie en nationale actieplannen; overwegende dat gelijke behandeling en veiligheid moeten worden gewaarborgd, maar dat onderwijs, gezin en sociaal-cultureel beleid primair nationale bevoegdheden zijn; overwegende dat Nederland zelf moet bepalen hoe deze onderwerpen binnen de eigen rechtsorde worden vormgegeven; verzoekt de regering in Europees verband geen steun te geven aan bindende EU-verplichtingen, harmonisatie of monitoring op het terrein van onderwijs, gezinsbeleid, familierecht en nationale actieplannen die verder gaan dan de Europese verdragen toestaan.
10 juni | JA21 |

Stemverwachting

Verkiezingsprogramma CU

Stemverwachting: voor (erg zeker, 90%)

Argumenten voor: De partij hanteert subsidiariteit als uitgangspunt, wat betekent dat besluitvorming op een zo laag mogelijk niveau moet plaatsvinden [1]. Zij verzetten zich expliciet tegen Europese bemoeizucht op terreinen waar de EU geen mandaat voor heeft, waarbij onderwijs specifiek wordt genoemd [1]. Daarnaast vindt de partij dat de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de overdracht van waarden primair bij de ouders ligt [2][5], en dat het gezin een centrale plek moet hebben in het beleid [4].

Argumenten tegen: De teksten bieden geen directe argumenten om tegen de motie te stemmen. Wel wordt vermeld dat er gestreefd wordt naar inclusiever onderwijs [3], maar dit rechtvaardigt in de context van de partijprogramma's niet noodzakelijkerwijs een uitbreiding van de Europese bevoegdheden op dit gebied.

Bronnen:

  1. "Europese samenwerking begint met duidelijkheid over bevoegdheden. Het moet helder zijn waar lidstaten zelf verantwoordelijk voor zijn en waar de Europese Unie wel of niet over gaat. Voor de ChristenUnie is subsidiariteit het uitgangspunt: besluiten worden genomen op het laagst mogelijke niveau, zo dicht mogelijk bij mensen. Wij verzetten ons tegen Europese bemoeizucht op terreinen waar de EU geen mandaat heeft, zoals gezondheidszorg, medische ethiek, onderwijs of woningbouw. Zelfs wanneer Europese besluitvorming wenselijk of noodzakelijk is, blijft ruimte voor eigenheid en verschillen tussen lidstaten en regio's essentieel. Bij wijzigingen in de EU-verdragen besluit de Tweede Kamer met tweederdemeerderheid."
  2. "Het is niet de taak van de overheid om te bepalen hoe kinderen worden opgevoed. Die verantwoordelijkheid ligt bij de ouders. Zij kennen hun kinderen het best en dragen zorg voor hun ontwikkeling. De opvoeding is primair de plek voor het overdragen van diepere waarden en zingeving. Pedagogische relaties in het gezin en rondom het gezin moeten beschermd worden zodat ze deze taak kunnen volbrengen. Ouders en andere opvoeders hebben ruimte en vrijheid nodig om hun kinderen op te voeden volgens hun eigen normen, waarden en (geloofs)overtuiging. Juist ook in de keuze voor onderwijs. Onderwijsvrijheid is een fundamenteel recht dat bescherming nodig heeft."
  3. "Ieder kind, ongeacht thuissituatie, achtergrond of leerproblemen, heeft recht op goed onderwijs dat bijdraagt aan een brede ontwikkeling, met ondersteuning die aansluit bij zijn of haar mogelijkheden. De behoefte van het kind staat centraal. We blijven stappen zetten richting inclusiever onderwijs, waarbij alle kinderen zoveel mogelijk naar dezelfde school gaan. Voorwaarde is dat de scholen dit kunnen doen zonder bureaucratie en geschuif met budgetten. Er wordt gekeken naar wat een kind nodig heeft om tot leren te komen en niet naar labels en indicaties. Dit vraagt nauwe samenwerking tussen onderwijs, ouders, jeugdhulpverlening en zorg, met bijbehorende gecombineerde financieringsstromen. Schoolgebouwen dienen beter te worden ingericht op inclusief onderwijs. De overheid zorgt voor voldoende speciaal onderwijs (primair en voortgezet) in elke regio, inclusief volwaardig voortgezet speciaal onderwijs op havo- en vwo-niveau. In het primair onderwijs komt een landsdekkend passend onderwijsaanbod voor (hoog)begaafden met een extra ondersteuningsbehoefte om schooluitval in deze groep terug te dringen. Er wordt aandacht besteed aan soepele terugkeer en doorstroming naar regulier onderwijs, waarbij het leerrecht van kinderen even centraal staat als de leerplicht. Door in te zetten op later selecteren zal de overgang van PO naar VO soepeler verlopen en worden de kansen voor ieder kind eerlijker. Daarvoor kan nu al ingezet worden op brede en verlengde brugklassen."
  4. "Gezinnen moeten voorop staan, maar worden te vaak vergeten in de visie en het beleid van de overheid. Terwijl het gezin en familie de plek is waar kinderen opgroeien en familieleden op elkaar terugvallen als iemand hulp nodig heeft. De overheid moet families en gezinnen waarderen in plaats van al het beleid op de mens als individu te richten. Dit begint met samenhang in de visie en beleid op wat de eerste leefomgeving is voor de meeste mensen. Er wordt beleid gemaakt om de positie van families te ondersteunen, bijvoorbeeld financieel. Ook wordt de positie en bescherming van het gezin verankerd in de Grondwet. Een minister wordt weer expliciet verantwoordelijk voor het realiseren van samenhangend gezinsbeleid. Er komt een jaarlijkse 'Staat van het gezin' waarin wordt gemonitord hoe gebruik wordt gemaakt van kind- en verlofregelingen, kinderopvang, het aanbod van GGD, Jeugdgezondheidszorg en lokale teams."
  5. "Onderwijs is meer dan het overdragen van kennis. Het vormt kinderen en jongeren tot wie ze zijn, hoe ze in het leven staan en hoe ze bijdragen aan de maatschappij. De verantwoordelijkheid voor die vorming ligt in de eerste plaats bij de ouders. Ouders hebben het recht hun kinderen qua normen, waarden en (geloofs)overtuiging op te voeden zoals zij dat willen. Dat recht werkt door in het onderwijs. Het grondwettelijke recht op onderwijsvrijheid maakt het mogelijk dat verschillende levensbeschouwelijke en pedagogische visies naast elkaar bestaan en versterkt de diversiteit en keuzevrijheid in het onderwijs. Het biedt een sterke garantie voor vormend onderwijs en betrokkenheid van ouders."