Directe financiering voor het praktijkonderwijs

De regering moet zorgen voor rechtstreekse bekostiging van het praktijkonderwijs. Dat betekent dat scholen direct geld krijgen van de overheid. Nu gaat het geld via samenwerkingsverbanden. Hierdoor beïnvloeden financiële keuzes waar leerlingen terechtkomen. Dat is niet goed, want kinderen hebben snel de juiste hulp nodig. Ook neemt het aantal leerlingen in het praktijkonderwijs snel toe.

Motie van het lid Moorman c.s. over het wetstraject voor rechtstreekse bekostiging van het praktijkonderwijs met prioriteit behandelen

De kamer, constaterende dat de financiering van leerlingen in het praktijkonderwijs momenteel via samenwerkingsverbanden verloopt en dat financiële afwegingen van invloed kunnen zijn op plaatsingsbesluiten; overwegende dat het aantal leerlingen in het praktijkonderwijs toeneemt en dat hierdoor de druk op het huidige systeem verder kan toenemen; overwegende dat het van belang is dat leerlingen tijdig toegang krijgen tot de onderwijsvorm die het beste aansluit bij hun ondersteunings- en onderwijsbehoefte; verzoekt de regering het wetstraject voor rechtstreekse bekostiging van het praktijkonderwijs met prioriteit te behandelen, de Kamer te informeren over een concreet tijdpad voor de verdere uitwerking en invoering hiervan, en dit voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer te doen toekomen.
10 juni | D66, JA21 |

Stemverwachting

Verkiezingsprogramma CU

Stemverwachting: voor (erg zeker, 90%)

Argumenten voor: De partij wil dat onderwijs wordt ingericht zonder bureaucratie en 'geschuif met budgetten' [1]. Dit sluit aan bij de motie die stelt dat de huidige financiering via samenwerkingsverbanden invloed kan hebben op plaatsingsbesluiten. Daarnaast stelt de partij dat de behoefte van het kind centraal moet staan en dat ondersteuning moet aansluiten bij de mogelijkheden van het kind [1]. De partij hecht bovendien grote waarde aan praktijkgericht en beroepsonderwijs (zoals vmbo, mbo en techniekhavo) [2][3] en wil hierin investeren om tekorten in de arbeidsmarkt op te vangen [2][3].

Argumenten tegen: De partij spreekt in het programma over de noodzaak van 'gecombineerde financieringsstromen' tussen onderwijs, jeugdhulpverlening en zorg [1]. Dit zou kunnen betekenen dat zij de voorkeur geven aan integrale financiering boven de strikt 'rechtstreekse bekostiging' waar de motie om vraagt.

Bronnen:

  1. "Ieder kind, ongeacht thuissituatie, achtergrond of leerproblemen, heeft recht op goed onderwijs dat bijdraagt aan een brede ontwikkeling, met ondersteuning die aansluit bij zijn of haar mogelijkheden. De behoefte van het kind staat centraal. We blijven stappen zetten richting inclusiever onderwijs, waarbij alle kinderen zoveel mogelijk naar dezelfde school gaan. Voorwaarde is dat de scholen dit kunnen doen zonder bureaucratie en geschuif met budgetten. Er wordt gekeken naar wat een kind nodig heeft om tot leren te komen en niet naar labels en indicaties. Dit vraagt nauwe samenwerking tussen onderwijs, ouders, jeugdhulpverlening en zorg, met bijbehorende gecombineerde financieringsstromen. Schoolgebouwen dienen beter te worden ingericht op inclusief onderwijs. De overheid zorgt voor voldoende speciaal onderwijs (primair en voortgezet) in elke regio, inclusief volwaardig voortgezet speciaal onderwijs op havo- en vwo-niveau. In het primair onderwijs komt een landsdekkend passend onderwijsaanbod voor (hoog)begaafden met een extra ondersteuningsbehoefte om schooluitval in deze groep terug te dringen. Er wordt aandacht besteed aan soepele terugkeer en doorstroming naar regulier onderwijs, waarbij het leerrecht van kinderen even centraal staat als de leerplicht. Door in te zetten op later selecteren zal de overgang van PO naar VO soepeler verlopen en worden de kansen voor ieder kind eerlijker. Daarvoor kan nu al ingezet worden op brede en verlengde brugklassen."
  2. "Of het nu in de zorg, techniek of bouw is: onze samenleving en arbeidsmarkt kan niet zonder vakmensen. We zetten in op positieve beeldvorming en stimuleren jongeren om vol vertrouwen te kiezen voor het vmbo en het mbo. Er komt gericht beleid voor meer praktisch gericht onderwijs, bijvoorbeeld de techniekhavo. Het mbo moet toegankelijk zijn voor instromers zonder startkwalificatie na beoordeling door de opleiding. De samenwerking tussen mboinstellingen en werkgevers wordt versterkt, zodat elke jongere verzekerd is van een kwalitatief goede stageplaats, inclusief stagevergoeding."
  3. "We investeren volop in het beroepsonderwijs en geven ruimte aan jonge ondernemers. Dat is nodig, nu veel kennis met pensioen gaat. Elke provincie verdient een techniekhavo en technasia. Bedrijven worden via samenwerkingen actief betrokken bij het onderwijs, zowel in het voortgezet als vervolgonderwijs. We stimuleren ondernemerschap vanuit het hoger en wetenschappelijk onderwijs, bijvoorbeeld door het mogelijk maken van afspraken over het intellectueel eigendom van tijdens een studie ontwikkelde innovaties."