De regering moet de onafhankelijke Autoriteit Dierwaardige Veehouderij laten adviseren voordat nieuwe regels uit de AMvB Dierwaardige Veehouderij (een algemene regel van de regering) ingaan. Dit is nodig om te controleren of boeren genoeg verdienen en kunnen lenen. Boeren moeten namelijk hun investeringen kunnen terugverdienen om aan de nieuwe regels voor dierwelzijn te voldoen.
Motie van het lid Wiersma over advisering door de Autoriteit Dierwaardige Veehouderij voordat nieuwe verplichtingen in werking treden
De kamer,
constaterende dat de Kamer een motie heeft aangenomen (35 746, nr. 25)
over dat er een onafhankelijke Autoriteit Dierwaardige Veehouderij moet
komen;
constaterende dat in artikel 2.3a, vierde lid van de Wet dieren is bepaald
dat een langere overgangstermijn mogelijk is met het oog op «een
redelijke overgangstermijn gericht op het door houders van dieren
kunnen terugverdienen van investeringen die noodzakelijk zijn om aan die
regels te voldoen»;
overwegende dat het realiseren van een dierwaardige veehouderij
afhankelijk is van randvoorwaarden zoals verdienvermogen, financiering,
vergunningverlening en een gelijk speelveld;
verzoekt de regering de onafhankelijke Autoriteit Dierwaardige Veehouderij te laten adviseren of aan de noodzakelijke randvoorwaarden wordt
voldaan voordat nieuwe verplichtingen uit de AMvB Dierwaardige
Veehouderij in werking treden.
Argumenten voor: De partij benadrukt dat randvoorwaarden voor vergroening op orde moeten zijn om te voorkomen dat bedrijven in de knel komen [5]. Daarnaast wordt gesteld dat boeren bij de transitie naar nieuwe wettelijke verplichtingen geholpen moeten worden met voorlichting en financiële prikkels [1], en dat ondernemers perspectief nodig hebben op een duurzame toekomst [3].
Argumenten tegen: De partij streeft naar doortastend beleid [3] en het borgen van de aanpak door middel van een 'stok achter de deur' [2] en het vaststellen van bindende, bedrijfsspecifieke doelen [4]. Een onafhankelijke autoriteit die adviseert over randvoorwaarden zou kunnen leiden tot vertraging in het realiseren van de noodzakelijke emissiereducties.
Bronnen:
"Mensen hebben de verantwoordelijkheid en de plicht om op een goede manier met dieren om te gaan. Voor de dierhouderij betekent dit dat er eisen worden gesteld (en gehandhaafd) aan dierenwelzijn met betrekking tot het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag. Boeren worden bij dit traject naar het voldoen aan de (wettelijke) verplichting, geholpen met voorlichting en met financiële prikkels. Er is ook aandacht voor weidegang, het voorkomen van stalbranden, het terugdringen van het gebruik van antibiotica, regels rond transport van dieren en het naleven van de regels in slachthuizen. Voor consumenten moet de registratie van huisdieren verbeterd worden, malafide handel op online platforms worden aangepakt en dierenleed worden bestreden."
"Bij alles wat we doen om uit het stikstofmoeras te komen is 'borgen van de aanpak' het sleutelwoord. Dit houdt in dat op voorhand duidelijk moet zijn dat beleid en maatregelen leiden tot een zekere reductie van schadelijke emissies, en daarmee bijdraagt aan natuurherstel. Dat is noodzakelijk om voorbij het additionaliteitsvereiste te komen. Pas dan komt vergunningverlening weer op gang en houden afgegeven vergunningen stand voor de rechter. Dat is dan ook de reden dat bij doelsturing op het boerenerf er altijd een stok achter de deur zal moeten staan, zodat de emissiereductie op voorhand geborgd is. Daarbij is het niet de bedoeling daadwerkelijk dierrechten te schrappen, wel om er zeker van te zijn dat er minder stikstof wordt uitgestoten en vergunningen weer kunnen worden verleend. Als een boerenbedrijf in alle redelijkheid te weinig doet om onder zijn emissieplafond uit te komen, dan is op dat moment minder dieren houden de consequentie. Daartegenover staat dat er 5 miljard euro extra uitgetrokken wordt om boeren te helpen bij doelsturing, extensivering, omschakeling naar biologische landbouw, agrarisch natuurbeheer en natuurherstel."
"Het kabinet dat na de verkiezingen aantreedt, moet Nederland van het slot halen. Met dappere keuzes, doortastend beleid, grootschalige investeringen in onderhoud, uitvoering, (energie)infrastructuur en duidelijke wetgeving, komt Nederland uit het stikstofmoeras en krijgen bedrijven perspectief op een duurzame toekomst."
"De stikstofuitstoot wordt de komende tien jaar gehalveerd ten opzichte van 2019, zowel de uitstoot van stikstofoxiden in de mobiliteit en industrie als ammoniakuitstoot in de landbouw. Alle sectoren dragen naar rato bij. We stappen af van ingewikkelde berekeningen over waar stikstof precies terechtkomt en richten ons op het verminderen van de daadwerkelijke uitstoot. Ondernemers en dus ook boeren benaderen we vanuit vertrouwen in hun vakmanschap. Daarom stappen we zo veel mogelijk over van sturen op middelen naar sturen op doelen. Elk boerenbedrijf krijgt een bindend bedrijfsspecifiek doel dat is afgeleid van de landelijke opgave en sectorale emissieplafonds. Er komt daarmee veel minder nadruk in het beleid op opkoop van boerenbedrijven. De nadruk op emissie- en doelsturing is effectiever, zorgt ervoor dat er minder boerenbedrijven verdwijnen en vergt ook minder belastinggeld. Immers, met managementmaatregelen, slimme innovaties en een gunstige extensiveringsregeling in kwetsbare gebieden, zodat een bedrijf met minder vee uit kan, is aanzienlijke ammoniakreductie mogelijk. Er komt een agrarische hoofdstructuur, waar ruimte blijft voor hoogproductieve landbouw, en overgangszones rond natuurgebieden, waarin sprake is van extensivering van veehouderij en landgebruik. Grondgebondenheid in de melkveehouderij is een randvoorwaarde en gaan we na decennia van discussie eindelijk wettelijk vastleggen."
"De klimaat- en energietransitie zit in een taaie fase. Klimaatdoelen afspreken bleek nog vrij eenvoudig, klimaatdaden stellen en volhouden blijkt een stuk ingewikkelder. Dat heeft deels te maken met de ingewikkelde internationale context, maar ook met het feit dat Nederland zijn randvoorwaarden voor vergroening van de economie niet op orde heeft: het elektriciteitsnet zit overvol, de vergunningverlening zit op slot en er is een gebrek aan goed opgeleide vakmensen. Die randvoorwaarden moeten met voorrang op orde worden gebracht, anders komen burgers en bedrijven in de knel, omdat er geen reëel handelingsperspectief is (zie ook hoofdstuk 2 'Nederland van het slot')."