De regering moet onderzoeken of de bijmengverplichting voor groen gas de beschikbaarheid voor belangrijke sectoren beperkt. De regel is bedoeld om de productie te verhogen, maar mag de latere inzet in bijvoorbeeld de staal- en keramieksector niet in de weg zitten. Zo blijft groen gas beschikbaar waar het op termijn het meest nodig is.
Motie van de leden Grinwis en Vermeer over bezien of door de bijmengverplichting groen gas minder of later beschikbaar komt voor bepaalde sectoren
De kamer,
constaterende dat de bijmengverplichting groen gas aansluit bij de
ETS2-sectoren vanwege het belang van opschaling van groengasproductie, maar dat deze afbakening daarmee niet aansluit bij het eindbeeld
van de inzet van groen gas, zoals blijkt uit het onderzoek van Guidehouse,
namelijk inzet in piekvoorzieningen elektriciteit en warmtenetten en de
staal- en keramieksector;
overwegende dat moet worden voorkomen dat een instrument dat
bedoeld is om de productie van groen gas op te schalen tegelijkertijd de
ontwikkeling naar een doelmatige en hoogwaardige inzet van groen gas
belemmert;
verzoekt de regering bij de evaluatie van de bijmengverplichting expliciet
te bezien in hoeverre de bijmengverplichting ertoe leidt dat groen gas
minder of later beschikbaar komt voor sectoren waarin de inzet daarvan
volgens het langetermijneindbeeld logisch is, en de uitkomsten daarvan te
betrekken bij zowel de toekomstige vormgeving en doelgroep van de
bijmengverplichting als bij overig klimaat- en energiebeleid.
Argumenten voor: De partij wil voorop lopen in een schone maakindustrie waar innovatie, infrastructuur en afzetmarkt samenkomen [2]. Zij willen duidelijke plannen voor de overstap naar duurzame alternatieven [1] waarbij de overheid zorgt voor de juiste voorwaarden en passende regels [1]. Bovendien wil de partij dat de transitie naar duurzame energie doelmatig verloopt [3] en dat technologieën niet worden uitgesloten mits zij doelmatig zijn [5]. Ook vindt de partij dat de inzet van biomassa beperkt moet blijven tot hoogwaardig gebruik van reststromen [4].
Argumenten tegen:
Bronnen:
"We stellen per sector een duidelijke einddatum voor fossiele technieken en we maken duidelijke plannen voor de overstap naar duurzame alternatieven. Zo weten bedrijven waar ze aan toe zijn en kunnen investeerders duurzame keuzes maken. De overheid zorgt voor de juiste voorwaarden: van vergunningen en netaansluiting tot passende regels."
"D66 wil dat Nederland vooroploopt in de schone maakindustrie: van circulaire bouwmaterialen en groene chemie tot biobased plastics en groene waterstof. Dit zijn sectoren waar innovatie, infrastructuur en afzetmarkt samenkomen."
"De industrie veroorzaakt een groot deel van de uitstoot in Nederland. Dat moet omlaag. D66 kiest daarom scherp: wie kan vergroenen met een houdbaar verdienmodel, moet dat ook doen. Een gezonde economie bestraft vervuiling en beloont werk. De overheid helpt waar dat nodig is, met slimme prikkels, infrastructuur en minder papierwerk. En we zijn ook eerlijk en realistisch: niet elke industrie past op elke plek."
"We stoppen met het verbranden van hout om stroom op te wekken. We stoppen stap voor stap met de inzet van biomassa voor elektriciteit. Alleen hoogwaardig gebruik van reststromen blijft toegestaan, bijvoorbeeld als grondstof voor nieuwe producten of in sectoren zonder groen alternatief."
"Groene energie is onze eerste keuze, maar dit kent grenzen. We sluiten daarom geen technologie uit. We blijven openstaan voor alternatieven zoals kernenergie, mits dit doelmatig is."