De regering moet samen met het Ctgb, het RIVM en waterbeheerders een nationaal systeem opzetten voor nieuwe wetenschappelijke kennis. Dit systeem bundelt jaarlijks gegevens om de veiligheid van mens, dier en milieu te waarborgen. De goedkeuring van stoffen duurt nu tot 25 jaar en het Europese systeem schiet tekort.
Motie van het lid Podt over een nationaal signaleringssysteem inrichten dat jaarlijks nieuwe wetenschappelijke kennis en monitoringsdata over werkzame stoffen bundelt
De kamer,
constaterende dat de Omnibus de goedkeuringstermijnen van werkzame
stoffen verlengt tot maximaal 25 jaar;
constaterende dat het Europese signaleringssysteem geen vaste
frequentie kent en dat het voor biociden ontbreekt;
overwegende dat het Ctgb nieuwe kennis hierdoor vaker zelf in middelbeoordelingen moet meenemen en dat Nederlandse monitoringsdata van
waterbeheerders en drinkwaterbedrijven daarvoor onmisbaar zijn;
overwegende dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu
hetzelfde moet blijven maar aspecten als de verlengde goedkeuringstermijn daar wel een risico op vormen;
verzoekt de regering om met het Ctgb, het RIVM, waterbeheerders en
drinkwaterbedrijven een nationaal signaleringssysteem in te richten dat
jaarlijks nieuwe wetenschappelijke kennis en monitoringsdata over
werkzame stoffen bundelt, deze benut bij toelating en herbeoordeling en
signalen actief bij de Europese Commissie inbrengt als verzoek
herbeoordeling.
Argumenten voor: De partij stelt dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen door het Ctgb in lijn moet worden gebracht met kwaliteitsnormen voor de natuur, het water en de volksgezondheid [1]. Daarnaast is het voldoen aan de Europese kaderrichtlijn water (KRW) voor de chemische en ecologische kwaliteit van het water essentieel [2]. Verder wil de partij dat de overheid sociale grondrechten op het gebied van milieu en volksgezondheid waarborgt door zelf normen te stellen en deze te handhaven [3].
Argumenten tegen: Het programma bevat geen specifieke argumenten tegen het inrichten van monitoringssystemen of het verzamelen van wetenschappelijke data over werkzame stoffen.
Bronnen:
"Landbouw en natuur kunnen niet zonder elkaar. Een hoge biodiversiteit is van levensbelang voor bestuiving van allerlei gewassen, goede bodemvruchtbaarheid en daarmee weerbaarheid tegen ziekten en plagen. Voldoende afwisseling tussen soorten gewassen, natuur en landschapselementen is essentieel. We zetten in op fors minder gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en stellen daarom met de sector een reductiedoel op. Groene middelen moeten sneller beschikbaar komen. De toelating van gewasbeschermingsmiddelen door het Ctgb wordt in lijn gebracht met kwaliteitsnormen voor de natuur, water en volksgezondheid. We willen een gericht verbod op het gebruik van glyfosaat voor grasland en groenbemesters. Hardnekkige uitbraken van ziekten en plagen vanwege afnemende resistentie door klimaatverandering vragen om realistisch beleid. Dat betekent enerzijds een sterke reductie van gewasbeschermingsmiddelen door bijvoorbeeld precisietechnieken. Anderzijds verdienen kleinschalige teelten en de oer-Hollandse vollegrondsgroenteteelt bescherming."
"In 2027 moeten we voldoen aan de Europese kaderrichtlijn water (KRW). Op dit moment voldoet Nederland er nog niet aan. Dat heeft niet alleen consequenties voor de chemische en ecologische kwaliteit van het water en wat daarin leeft, maar ook voor de vergunningverlening. Er komt een snelle en geïntegreerde aanpak om de KRWdoelen te halen. Dit werkt door in het beleid voor mest, gewasbescherming en geneesmiddelen en de inrichting van de waterlopen. De KRW-doelen en bijbehorende normen worden expliciet en bindend opgenomen in wet- en regelgeving en in besluitvorming op alle relevante beleidsterreinen."
"De laatste jaren zijn er te veel incidenten met bedrijven geweest waarbij uitstoot van stoffen werd geconstateerd die schadelijk zijn voor het milieu, zoals PFAS, (ultra)fijnstof of staalslakken. De overheid moet de sociale grondrechten op het gebied van leefmilieu en volksgezondheid garanderen door zelf normen te stellen en deze te handhaven. Omgevingsdiensten en de GGD zijn onvoldoende in staat gebleken snel en adequaat te handelen. Zij moeten beter toegerust worden om schadelijke uitstoot te voorkomen, handhavend op te treden en vergunningen in te kunnen trekken. Bedrijven houden zich helaas niet vanzelf aan de regels, we gaan minder uit van zelfregulering. Leefomgeving en ruimte gaan hand in hand. Daarom voegen we milieu weer toe aan het ministerie van VRO en herstellen we het succesvolle model van het voormalige ministerie van VROM."