Stikstofuitzondering voor Defensie

De regering moet een uitzondering op de stikstofregels maken voor de uitbreiding van Defensielocaties. Deze uitbreiding is nodig voor de nationale veiligheid. Projecten mogen niet stilvallen door stikstofregels.

Motie van het lid Ten Hove over een uitzondering voor stikstofregels voor de uitbreiding van Defensielocaties

De kamer, constaterende dat het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) de grootste uitbreiding van Defensie sinds 1935 vormt; van mening dat deze uitbreiding zo snel en efficiënt mogelijk moet plaatsvinden om de nationale veiligheid te waarborgen en dat het niet acceptabel is dat Defensieprojecten stilliggen door stikstofregels; verzoekt de regering een plan te maken om een uitzondering voor stikstofregels te creëren voor de uitbreiding van Defensielocaties.
13 april | Markusz |

Partijstandpunten

Verkiezingsprogramma CU over dit onderwerp

Stemverwachting: voor (vrij zeker, 80%)

Waarom voor? De partij stelt dat er voor Defensie 'fors meer fysieke ruimte nodig' is om te kunnen uitbreiden [1]. Daarnaast benadrukt de partij dat de stikstofcrisis ons land 'verlamt' en dat 'infrastructuur niet wordt aangelegd' door de huidige regels [2]. De partij pleit expliciet voor het invoeren van een 'houdbare NOx-bouwvrijstelling' om projecten zoals de bouw van woningen en wegen 'los te trekken' [5], en wil algemeen 'eerlijke wetten voor rechtsherstel' om vergunningverlening weer mogelijk te maken [2]. Het versnellen van Defensie-uitbreiding sluit aan bij de noodzaak om te voldoen aan de NAVO-norm [3][1].

Waarom tegen? De partij streeft naar een 'ambitieus emissiereductiebeleid' [5] en stelt dat 'alle sectoren naar rato bijdragen' aan de halvering van de stikstofuitstoot [6]. Ook geeft de partij aan dat de uitbreiding van kazernes 'altijd in afstemming met lokale overheden' moet gebeuren, waarbij rekening wordt gehouden met 'lokale wensen' [1]. Een generieke uitzondering voor Defensie zou kunnen botsen met de algemene inzet op bindende stikstofdoelen voor alle sectoren [4].

Bronnen:

  1. "We investeren de komende jaren fors in defensie om te kunnen voldoen aan de NAVO-norm om in 2035 3,5% van ons BBP uit te geven aan defensie en daarnaast 1,5% aan bijvoorbeeld infrastructuur die ook defensie ten goede komt. Naast financiële ruimte is er fors meer fysieke ruimte nodig om te kunnen uitbreiden en om meer op Nederlands grondgebied te kunnen oefenen. De uitbreiding van kazernes en oefenterreinen gebeurt altijd in afstemming met lokale overheden. Er wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met lokale wensen, bijvoorbeeld als het gaat om infrastructuur. Bij nieuwe kazernes kijken we met nadruk naar gebieden waar deze ook een bijdrage kunnen leveren aan economische ontwikkeling en werkgelegenheid." (0.760)
  2. "De stikstofcrisis verlamt ons land op allerlei vlakken. Inmiddels kunnen zelfs de broodnodige woningen niet meer worden gebouwd. Infrastructuur wordt niet aangelegd en de mogelijkheid om te ondernemen wordt beknot. De overheid heeft het recht op een dak boven het hoofd en een voortvarende vergunningverlening verwaarloosd. Daarom is het hoog tijd aan de slag te gaan met het verminderen van de stikstofuitstoot voor natuurherstel en eerlijke wetten voor rechtsherstel." (0.747)
  3. "De Russische inval in de Oekraïne heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat vrede en vrijheid niet vanzelfsprekend is. Vrijheid kan niet zonder bescherming. De krijgsmacht heeft een duidelijke taak bij het bewaken van die vrijheid, door het grondgebied van Nederland en onze bondgenoten te beschermen en door het bevorderen van de internationale rechtsorde. De nieuwe NAVO-norm vraagt veel van de Nederlandse schatkist, defensieorganisatie en defensie-industrie, maar is noodzakelijk om onze vrijheden te kunnen verdedigen. Onze inzet van de krijgsmacht is onderdeel van een doordachte integrale benadering, in afstemming met de inzet van diplomatie, internationale- en ontwikkelingssamenwerking. Juist omdat het bij defensie om een ultiem machtsmiddel gaat, namelijk de inzet van wapens en militairen, is het belangrijk dat defensie onderdeel is van een integraal veiligheidsbeleid met voldoende politieke controle." (0.728)
  4. "De stikstofproblematiek vraagt om duurzame mobiliteitsvormen. Het aantal vliegbewegingen in Nederland gaat naar beneden, ook de automobiliteit draagt bij. Industrieën met een hoge stikstofuitstoot krijgen, naast klimaatdoelen, bindende stikstofdoelen opgelegd. De regering maakt maatwerkafspraken met industriële piekbelasters. Ook worden er regionale stikstofbalansen opgesteld, zoals in Rijnmond en Chemelot, waar gebiedsspecifieke emissieplafonds gaan gelden. Industriële processen worden waar mogelijk verder geëlektrificeerd. In alle sectoren geldt dat aantoonbare stikstofreductie moet leiden tot vergunningverlening. In het stikstofbeleid gaan we daarom onderscheid maken tussen stikstofoxiden uit de pijp of uitlaat (NOx) en ammoniak uit dieren (NH3). Op die manier kan vergunningverlening voor bijvoorbeeld woningbouw en de aanleg van elektriciteitsnetten versneld worden. De relatief snelle daling van" (0.721)
  5. "Stikstofwetgeving moet in de praktijk werkbaar zijn. Sturen op neerslag van stikstof in de natuur (depositie) is onwerkbaar gebleken. Het herleiden van depositiewaardes naar bedrijven is immers uiterst ingewikkeld en onzeker. Daarom moeten er landelijke, sectorale en uiteindelijk bedrijfsspecifieke emissienormen worden vastgelegd. Natuurlijk geldt de kritische depositiewaarde nog als indicator van de staat van de natuur, maar als wettelijk doel om op te sturen is de KDW onverstandig gebleken. Op deze manier creëren we handelingsperspectief. Om de bouw van woningen en wegen los te trekken voeren we een houdbare NOx-bouwvrijstelling in. Dit alles gaat samen met ambitieus emissiereductiebeleid." (0.701)
  6. "De stikstofuitstoot wordt de komende tien jaar gehalveerd ten opzichte van 2019, zowel de uitstoot van stikstofoxiden in de mobiliteit en industrie als ammoniakuitstoot in de landbouw. Alle sectoren dragen naar rato bij. We stappen af van ingewikkelde berekeningen over waar stikstof precies terechtkomt en richten ons op het verminderen van de daadwerkelijke uitstoot. Ondernemers en dus ook boeren benaderen we vanuit vertrouwen in hun vakmanschap. Daarom stappen we zo veel mogelijk over van sturen op middelen naar sturen op doelen. Elk boerenbedrijf krijgt een bindend bedrijfsspecifiek doel dat is afgeleid van de landelijke opgave en sectorale emissieplafonds. Er komt daarmee veel minder nadruk in het beleid op opkoop van boerenbedrijven. De nadruk op emissie- en doelsturing is effectiever, zorgt ervoor dat er minder boerenbedrijven verdwijnen en vergt ook minder belastinggeld. Immers, met managementmaatregelen, slimme innovaties en een gunstige extensiveringsregeling in kwetsbare gebieden, zodat een bedrijf met minder vee uit kan, is aanzienlijke ammoniakreductie mogelijk. Er komt een agrarische hoofdstructuur, waar ruimte blijft voor hoogproductieve landbouw, en overgangszones rond natuurgebieden, waarin sprake is van extensivering van veehouderij en landgebruik. Grondgebondenheid in de melkveehouderij is een randvoorwaarde en gaan we na decennia van discussie eindelijk wettelijk vastleggen." (0.699)