Meer ruimte op het elektriciteitsnet

De regering moet samen met netbeheerders en bedrijven onderzoeken hoeveel flexibiliteit er is in het energieverbruik van de industrie. Deze flexibiliteit moet worden vastgelegd in contracten om zo meer ruimte op het elektriciteitsnet te maken.

Motie van het lid Müller c.s. over de beschikbare flexibiliteitspotentie en de mogelijkheden voor contractering bij industriële bedrijvigheid in kaart brengen

De kamer, constaterende dat door beter gebruik te maken van flexibiliteit bij industriële bedrijvigheid extra ruimte op het elektriciteitsnet kan worden gecreëerd; overwegende dat in de FGU-regio decentrale overheden een belangrijke rol hebben gespeeld bij het identificeren en benaderen van geschikte partijen om flexibiliteit beschikbaar te stellen; overwegende dat de decentrale overheden hierbij onvoldoende concreet inzicht hebben in de kansen en daadwerkelijke contracteringsmogelijkheden bij bedrijven; verzoekt de regering met de netbeheerders de beschikbare flexibiliteitspotentie en de mogelijkheden voor contractering in kaart te brengen; verzoekt de regering om vervolgens met netbeheerders, decentrale overheden en ondernemers samen te werken om zo veel mogelijk van de beschikbare flexibiliteitspotentie daadwerkelijk te contracteren, de (juridische) belemmeringen daarvoor weg te nemen, en de Kamer hier voor het einde van het jaar over te informeren.
27 mei | VVD, CDA, CU, D66, JA21 | Aangenomen |

Stemverwachting

Verkiezingsprogramma CDA

Stemverwachting: voor (erg zeker, 95%)

Argumenten voor: De partij wil netcongestie voortvarend aanpakken door de kansen voor flexibiliteit en energieopslag optimaal te benutten en het stimuleren van flexibele contracten [1]. Er is in het programma sprake van een wens voor meer aansturing op lokale afstemming en initiatieven van gemeenten en provincies op het gebied van energie [1]. Daarnaast wil de partij inzetten op sterke interbestuurlijke samenwerking [4] en problemen oplossen door samen te werken met de industrie en de samenleving [3]. De partij erkent dat een overbelast elektriciteitsnet de maakindustrie en de energietransitie momenteel belemmert [2].

Argumenten tegen: Er zijn in de tekst geen argumenten te vinden die tegen de motie zouden spreken.

Bronnen:

  1. "We pakken de netcongestie voortvarend aan. Dat gaan we doen door het vergunningsproces van elektriciteitsprojecten drastisch te versimpelen en te versnellen. Onder andere door een versnelde beroepsprocedures en meer vergunningsvrije ruimte. We benutten de kansen voor flexibiliteit en energieopslag optimaal. Ook willen we meer aansturing op lokale afstemming in opwek en gebruik. We maken de ontwikkeling van grensoverschrijdende energie-infrastructuren makkelijker. Bij duurzame opwekking over de grens kan er veel meer gebruikgemaakt worden van gunstige lokale factoren. We stimuleren flexibele contracten en 'energyhubs' op bedrijventerreinen en initiatieven van energiecoöperaties, gemeenten en provincies op het gebied van duurzame mobiliteit en lokale opwek, gebruik en opslag van energie. En we spreiden de rekening van investeringen in het elektriciteitsnet over generaties."
  2. "Om de energietransitie mogelijk en betaalbaar te maken is betrouwbaar en stabiel langetermijnbeleid nodig. Juist ook om de maakindustrie, die wil verduurzamen, te behouden voor Nederland. Op dit moment loopt de uitvoering vast door een overbelast elektriciteitsnet, gebrek aan betaalbare en groene infrastructuur, door lange procedures en een tekort aan arbeidskrachten."
  3. "Er liggen ook kansen: door de energietransitie worden we strategisch autonomer. Innovatief ondernemerschap geeft Nederland een voortrekkerspositie. Een overheid die levert door een stevige inzet op groene industriepolitiek en beleid zo toepast dat problemen daadwerkelijk worden opgelost. Door creativiteit en innovatie te omarmen en hoopvol te kijken naar wat wij allemaal wél kunnen doen op het gebied van klimaatmitigatie, -adaptatie en duurzaamheid. Zo bouwen we samen met overheid, industrie en samenleving een land dat we kunnen doorgeven."
  4. "Het Rijk moet investeren in sterke interbestuurlijke samenwerking. Bij het begin van de nieuwe regeerperiode maakt het kabinet afspraken met de gemeenten, provincies en waterschappen over de uitvoering van bestaand beleid en de nieuwe plannen in het regeerakkoord. Voor taken die het Rijk bij decentrale overheden belegt, moet worden gezorgd dat decentrale overheden deze taken ook kunnen uitvoeren, waaronder fatsoenlijke financiële middelen."