Behoud van het Nationaal Onderwijsmuseum

De regering moet samen met de PO-Raad (voor het basisonderwijs) en de VO-raad (voor het voortgezet onderwijs) een nieuwe bestuurlijke structuur maken voor het Nationaal Onderwijsmuseum. Het museum heeft de grootste collectie over de geschiedenis van het onderwijs in Nederland. Als het museum sluit, gaat deze enorme hoeveelheid kennis verloren.

Motie van het lid Rooderkerk c.s. over een governancestructuur waarin het Nationaal Onderwijsmuseum vanuit de sector kan worden voortgezet

De kamer, constaterende dat het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht al langere tijd onzekerheid kent over zijn voortbestaan; constaterende dat de Kamer eerder via een amendement en een motie heeft uitgesproken dat het museum behouden moet blijven; overwegende dat het museum met ruim 325.000 objecten de grootste collectie onderwijserfgoed van Nederland beheert en deze kennis bij een sluiting verloren zou gaan; overwegende dat een duurzame toekomst voor het museum gebaat is bij een bredere verankering in de onderwijssector zelf om de geschiedenis van het onderwijs voor de toekomst te behouden; verzoekt de regering samen met de PO-Raad en de VO-raad aan de slag te gaan met een governancestructuur waarin het museum vanuit de sector kan worden voortgezet en de Kamer voor Prinsjesdag hierover te informeren.
2 juli | D66, SGP | Aangenomen: 101–49 |

Stemuitslag

Verkiezingsprogramma JA21

Stemverwachting: tegen (onzeker, 50%)

Argumenten voor: De partij wil dat de cultuursector minder afhankelijk wordt van structurele subsidies en dat particulier en commercieel initiatief meer wordt gestimuleerd [1]. Een governancestructuur waarbij de onderwijssector zelf de continuïteit van het museum waarborgt, zou kunnen bijdragen aan een minder afhankelijke, sectorale aanpak [1].

Argumenten tegen: De partij streeft naar een cultuursector die minder afhankelijk is van structurele subsidies [1]. De motie vraagt de regering om een nieuwe governancestructuur te ontwikkelen, wat gezien kan worden als een vorm van overheidssturing die mogelijk de afhankelijkheid van structurele financiering in stand houdt, in plaats van het stimuleren van particulier en commercieel initiatief [1].

Bronnen:

  1. "Dat de cultuursector minder afhankelijk wordt van structurele subsidies en meer het particulier en commercieel initiatief wordt gestimuleerd."