De regering moet samen met de PO-Raad (voor het basisonderwijs) en de VO-raad (voor het voortgezet onderwijs) een nieuwe bestuurlijke structuur maken voor het Nationaal Onderwijsmuseum. Het museum heeft de grootste collectie over de geschiedenis van het onderwijs in Nederland. Als het museum sluit, gaat deze enorme hoeveelheid kennis verloren.
Motie van het lid Rooderkerk c.s. over een governancestructuur waarin het Nationaal Onderwijsmuseum vanuit de sector kan worden voortgezet
De kamer,
constaterende dat het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht al
langere tijd onzekerheid kent over zijn voortbestaan;
constaterende dat de Kamer eerder via een amendement en een motie
heeft uitgesproken dat het museum behouden moet blijven;
overwegende dat het museum met ruim 325.000 objecten de grootste
collectie onderwijserfgoed van Nederland beheert en deze kennis bij een
sluiting verloren zou gaan;
overwegende dat een duurzame toekomst voor het museum gebaat is bij
een bredere verankering in de onderwijssector zelf om de geschiedenis
van het onderwijs voor de toekomst te behouden;
verzoekt de regering samen met de PO-Raad en de VO-raad aan de slag te
gaan met een governancestructuur waarin het museum vanuit de sector
kan worden voortgezet en de Kamer voor Prinsjesdag hierover te
informeren.
Argumenten voor: De partij wil de culturele sector meer zekerheid en toekomstperspectief bieden [2]. Daarnaast onderzoekt de partij het opzetten van leergemeenschappen waarin sectoren zoals onderwijs en cultuur samenwerken [1].
Argumenten tegen: Het verkiezingsprogramma bevat geen argumenten tegen het behoud van het museum of tegen een nieuwe governance-structuur met de onderwijssector.
Bronnen:
"We verkennen het opzetten van ontwikkel- en leergemeenschappen waar instanties voor onderwijs, opvang, zorg, cultuur en sport samenwerken. Deze gemeenschappen bieden kinderen een veilige en stimulerende omgeving waarin ze zich stap voor stap kunnen ontwikkelen - vanaf jonge leeftijd tot en met de overstap naar het voortgezet onderwijs."
"We geven de culturele sector meer zekerheid en toekomstperspectief, door de subsidieperiode in de basisinfrastructuur te verlengen naar acht jaar. Culturele instellingen kunnen door een langere subsidierelatie met het Rijk hun toekomstvisie voor cultuur tot leven brengen en nieuwe financieringsvormen aantrekken. De Rijksfondsen krijgen door de langere subsidieperiode meer speelruimte om cultuurbeleid voor de lange termijn te combineren met afwisselende subsidievormen en -duur."