De regering moet een pilot starten met een nieuwe vorm van schoolzwemmen. Kinderen uit arme gezinnen halen veel minder vaak een zwemdiploma dan kinderen uit rijke gezinnen. Door lessen buiten schooltijd aan te bieden en kinderen zonder diploma op te sporen, kan deze ongelijkheid worden verminderd.
Motie van de leden Dobbe en Mohandis over een pilot met een variant op schoolzwemmen
De kamer,
constaterende dat kinderen uit gezinnen met een laag inkomen twaalf keer
zo vaak geen zwemdiploma hebben als kinderen uit gezinnen met een
hoog inkomen;
overwegende dat uit het onderzoek Schoolslag in perspectief blijkt dat
deze ongelijkheid kan worden verminderd door schoolzwemmen opnieuw
in te voeren en dat hiervoor diverse scenario’s zijn onderzocht, waarbij
ook gekeken is naar de kosten en het draagvlak in het onderwijs;
overwegende dat uit dit onderzoek tevens blijkt dat er onder scholen grote
steun is voor een variant van schoolzwemmen voor kinderen zonder
A-diploma buiten onderwijstijd in groep 6, georganiseerd door
gemeenten – scenario vijf;
van mening dat het daarnaast van belang is dat scholen zwemmomenten
organiseren zodat kinderen zonder zwemdiploma kunnen worden
gesignaleerd – scenario zes;
verzoekt de regering om een combinatie van de scenario’s vijf en zes
nader uit te werken en met een plan te komen om deze slimme variant op
schoolzwemmen via een pilot te testen op een manier die past bij de
voorkeuren van de gemeenten en de scholen.
Argumenten voor: De partij wil dat de achtergrond van een kind niet bepaalt welke kansen of verwachtingen het krijgt [3][2]. Daarnaast zet de partij zich in om de verschillen tussen scholen te verkleinen [1] en om een stevige basis voor ieder kind te bieden zodat kinderen niet met een achterstand beginnen [4].
Argumenten tegen: Het programma bevat geen argumenten die het aanpakken van ongelijkheid of het verkleinen van achterstanden zouden tegenhouden.
Bronnen:
"Maar die belofte wordt nu nog lang niet altijd waargemaakt. Door het lerarentekort vallen te vaak lessen uit. En te veel leerlingen gaan van school zonder goed te kunnen lezen, schrijven en rekenen. Tussen scholen zijn de verschillen groot: sommige scholen blinken jaar na jaar uit, andere blijven structureel achter. Jongeren worden te vroeg vastgezet in keuzes die hun kansen later bepalen. Leraren zijn te veel tijd kwijt aan bijzaken die niets met lesgeven te maken hebben. En scholen missen rust en een visie voor de lange termijn, omdat het beleid steeds verandert."
"Waar je geboren bent en opgroeit, mag niet bepalen welke verwachtingen het onderwijs van je heeft. We doorbreken hardnekkige patronen van lage verwachtingen. We werken vanuit hoge verwachtingen van ieder kind, ongeacht je achtergrond. Dat doen we vanaf de eerste stappen op de kinderopvang tot aan het eindexamen. Hetzelfde geldt voor leraren, onderwijsassistenten, schoolleiders én bestuurders. In deze cultuur van hoge verwachtingen combineren we een rijk schoolprogramma met sterke basisvaardigheden in taal, rekenen en burgerschap."
"D66 doorbreekt dit. Dat doen we door te kiezen voor hoge verwachtingen, gelijke kansen en goede gebouwen om in te leren. Kinderen en jongeren krijgen meer tijd om hun talent te ontdekken, doordat we later selecteren en onderwijs op maat écht laten werken. Leraren krijgen het vertrouwen en de ruimte in hun vak. Studenten krijgen meer zekerheid, zoals met een hogere aanvullende beurs voor mbo'ers en meer studentenhuisvesting. We investeren in goede schoolgebouwen die ook duurzaam en toegankelijk zijn en we versterken digitale vaardigheden én vergroten het leesplezier. En we investeren in mbo's, hogescholen en universiteiten, zodat we ook de toekomst aankunnen. Zo bouwen we aan onderwijs waar mensen altijd blijven leren, op een manier die bij ze past, van nul tot honderd jaar."
"Te veel kinderen beginnen met een achterstand op de basisschool. Daarom investeren we vanaf het allereerste begin in een stevige basis en in sociale ontwikkeling. Want juist jonge kinderen hebben structuur nodig, een rijke plek om te leren en contact met leeftijdsgenoten. We bouwen aan één publieke voorziening voor alle kinderen van 1 tot 15 jaar. Daarin kan ieder kind, in eigen tempo en vanuit de eigen achtergrond, groeien. Zo verdwijnt ook het verschil tussen kinderopvang en peuteropvang of voor- en vroegschoolse educatie."