4 december, Debat over de rapporten ‘Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel’ van de Inspectie G&J en ‘Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt’ van de Inspectie J&V
[De kamer,
constaterende dat opnieuw ernstige mishandeling heeft plaatsgevonden
bij uit huis geplaatste kinderen onder verantwoordelijkheid van de William
Schrikker Stichting;
constaterende dat Stichting Enver betrokken is geweest bij andere
ernstige casussen;
van oordeel dat herhaald falen bij de bescherming van kwetsbare
kinderen niet zonder gevolgen mag blijven;
verzoekt de regering erop aan te sturen om te onderzoeken of strafrechtelijke vervolging van zowel de William Schrikker Stichting als Enver als
rechtspersonen mogelijk en aangewezen is;
verzoekt de regering erop aan te sturen om te onderzoeken of strafrechtelijke vervolging van betrokken medewerkers en leidinggevenden mogelijk
is.] ››
[De kamer,
constaterende dat acht van de tien kinderen die opgroeien met geweld,
geen adequate hulp ontvangen en zich vaak niet gehoord of gesteund
voelen door hun omgeving;
constaterende dat een alert en betrokken netwerk rondom het kind van
cruciaal belang is om steun, veiligheid en perspectief te bieden;
constaterende dat het project Handle with Care leraren in staat stelt om
kinderen die recent geweld hebben meegemaakt op laagdrempelige wijze
extra ondersteuning te bieden;
verzoekt de regering te inventariseren wat nodig is om Handle with Care
verder uit te rollen en te bezien of deze werkwijze landelijk ingevoerd kan
worden.] ››
[De kamer,
overwegende dat GI’s worden getoetst op zowel wettelijke normen uit de
Jeugdwet als normen opgesteld door het Keurmerkinstituut (KMI) voor
het behalen van hun keurmerk;
overwegende dat in deze normen niets is opgenomen over het hebben
van betekenisvol contact met het kind;
constaterende dat de inspectierapporten aangeven dat er te weinig
betekenisvol contact is met kinderen in de jeugdbescherming en er
daardoor geen zicht is op de ontwikkeling en hun veiligheid;
verzoekt de regering te verkennen of binnen de certificeringseisen van
GI’s een eis kan worden geïntroduceerd over de frequentie van betekenisvol contact met kinderen, en de Kamer hierover te informeren.] ››
[De kamer,
overwegende dat de netwerksamenwerking tussen instanties rondom de
pleegzorg rekening moet houden met een verscheidenheid aan
privacyregels;
overwegende dat vanuit het werkveld veelvuldig signalen naar voren
komen dat deze privacyregels een veelgenoemde belemmering vormen
om door te pakken bij zaken in de pleegzorg;
verzoekt de regering om onnodige privacybelemmeringen weg te nemen
tussen relevante partijen die betrokken zijn bij de pleegzorg.] ››
[De kamer,
constaterende dat moeder-kindhuizen en gezinshuizen geen vergunningsplicht hebben, waardoor iedereen zonder eisen en controle dergelijke
initiatieven kan beginnen;
overwegende dat met een vergunningsplicht aan de voorkant voldaan kan
worden aan uniforme kwaliteitseisen en het tegengaan van versnippering;
verzoekt de regering een vergunningsplicht in te stellen voor moederkindhuizen en gezinshuizen.] ››
[De kamer,
constaterende dat het inspectierapport «Als zelfs overheidsingrijpen
kinderen geen bescherming biedt» gecertificeerde instellingen,
gemeenten en het Rijk oproept om tot duurzame oplossingen te komen
voor de tekorten op de arbeidsmarkt in de pleegzorg;
overwegende dat de Kamerbrief van 2 december jongstleden goede
beginstappen noemt rondom de aanpak van deze arbeidsmarktproblematiek;
overwegende dat prestatie- en resultaatafspraken, een plan om mensen te
behouden en te boeien en verzuimverlagende maatregelen vooralsnog
ontbreken in de aanpak van de arbeidsmarktproblematiek;
verzoekt de regering het voortouw te nemen en te komen met een breed
plan van aanpak rondom de arbeidsmarktproblematiek in de pleegzorg,
en daarbij relevante actoren mee te nemen.] ››
[De kamer,
overwegende dat in twaalf jaar tijd de William Schrikker Stichting te
weinig verbeteringen heeft doorgevoerd;
overwegende dat er gerede twijfels bestaan over het functioneren van de
William Schrikker Stichting rondom cruciale beslismomenten bij het
toewijzen van kinderen aan pleegouders;
overwegende dat er bij andere pleegzorgorganisaties ook diverse
verontrustende signalen zijn in de pleegzorg;
verzoekt de regering bij de William Schrikker Stichting en andere
gecertificeerde instellingen alle gezinnen door te lichten en hiervoor een
scherp tijdpad op te stellen.] ››
[De kamer,
constaterende dat bij een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing het
uitgangspunt is dat het kind terugkeert naar huis;
constaterende dat uit de inspectierapporten blijkt dat gecertificeerde
instellingen onvoldoende oog hebben voor het herstel van de relatie
tussen het kind en de ouder(s), maar dat omgang van kinderen met
ouder(s) juist cruciaal is om de duur van een uithuisplaatsing zo kort
mogelijk te houden;
constaterende dat de Staatssecretaris een omgangsregeling tussen het
kind en de ouder(s) in de Jeugdwet wil vastleggen, die door de gecertificeerde instelling binnen zes weken na de uithuisplaatsing opgesteld moet
worden;
constaterende dat uit de inspectierapporten blijkt dat gecertificeerde
instellingen er in de praktijk structureel niet in slagen wettelijke plichten
en termijnen uit de Jeugdwet na te komen;
overwegende dat het recht van het kind op omgang met de ouder(s) een
fundamenteel recht is, neergelegd in artikel 9, lid 1 van het IVRK;
verzoekt de regering het herstel van familiaire banden tussen het kind en
de ouders meer prioriteit te geven en bij de invoering van de wettelijke
omgangsregeling toe te zien op de naleving van de wettelijke termijnen.] ››
[De kamer,
constaterende dat onafhankelijk direct toezicht op pleegouders, gezinsouders en zorgboerderijen nog steeds niet gewaarborgd is;
overwegende dat gezien de recente vreselijke misstanden die aan het licht
zijn gekomen dit onafhankelijke toezicht zo snel mogelijk moet worden
gerealiseerd – het is echt een wonder dat dat toezicht er nog niet is en er
zijn ook geen vergunningen;
verzoekt de regering de inspectie, de IGJ dus, zo snel mogelijk te belasten
met dit toezicht waarbij het streven van de inspectie zou moeten zijn
pleeggezinnen, gezinshuizen en zorgboerderijen minstens één keer per
jaar en bij voorkeur onverwacht te bezoeken.] ››
[De kamer,
verzoekt het kabinet er zorg voor te dragen dat pleegzorgbegeleiders
jaarlijks minstens één keer onaangekondigd bij pleegouders op bezoek
komen.] ››
[De kamer,
constaterende dat jeugdzorginstellingen sinds 2022 werken met het
zogenoemde handelingsperspectief vanwege aanhoudende onderbezetting;
constaterende dat hierdoor wettelijke termijnen en verplichtingen, zoals
toewijzing van een vaste jeugdbeschermer, structureel niet worden
gehaald;
constaterende dat toezichthouders hebben gewaarschuwd dat kinderen
hierdoor niet altijd op tijd de noodzakelijke bescherming ontvangen;
overwegende dat wettelijke normen in de jeugdbescherming bedoeld zijn
om de veiligheid van de kinderen te waarborgen;
overwegende dat deze normen niet vervangen mogen worden door een
handelingsperspectief als noodkader zonder parlementaire instemming;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat jeugdzorginstellingen niet
langer de aan hen toevertrouwde kinderen op basis van het zogenaamde
handelingsperspectief (inadequate) zorg mogen verlenen.] ››
[De kamer,
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het wettelijk kader kan
worden aangescherpt op basis waarvan de rechter een jeugdbeschermingsmaatregel, waaronder in het bijzonder een gedwongen uithuisplaatsing, kan opleggen.] ››
[De kamer,
overwegende dat de motie-Ceder c.s. op stuk nr. 836 (31 839) vraagt om
het onderzoeken van het nut en de effectiviteit van de wettelijke borging
van het plan van aanpak van de GI binnen drie maanden na uithuisplaatsing, waarin de mogelijkheden en route naar terugplaatsing worden
vastgelegd;
overwegende dat de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming al in 2020 adviseerde om wettelijk vast te leggen dat binnen
drie maanden het perspectiefbesluit wordt voorgelegd aan de
kinderrechter;
verzoekt de regering in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in
de jeugdbescherming op te nemen dat het perspectiefbesluit binnen drie
maanden wordt voorgelegd aan de kinderrechter;
verzoekt de regering voorts dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk naar de
Kamer te sturen.] ››
[De kamer,
overwegende dat er bij de allereerste screening naast een vog nog geen
check op sociaaleconomische omstandigheden, zoals de financiële
zelfredzaamheid, lijkt te zijn bij gezinshuisouders;
overwegende dat schulden bij potentiële gezinshuisouders kunnen leiden
tot stress en een instabiele gezinssituatie en dat dat kan doorwerken;
overwegende dat in de herziening van de kwaliteitscriteria ook wordt
bezien of screening van gezinshuisouders een plek moet krijgen;
verzoekt de regering om met gemeenten en de jeugdzorgsector in gesprek
te gaan om te zien of het mogelijk is om de financiële draagkracht van
potentiële gezinshuisouders mee te nemen in de afwegingen bij de inkoop
en uitvoering.] ››
[De kamer,
constaterende dat ervaringsdeskundigheid momenteel nog beperkt wordt
ingezet in de jeugdbescherming, zowel op beleidsniveau als in de praktijk,
vergeleken met de jeugdhulp;
overwegende dat de inzet van ervaringsdeskundigheid een toegevoegde
waarde kan hebben voor de hervorming van de jeugdbeschermingsketen;
verzoekt de regering om samen met ervaringsdeskundigen en gecertificeerde instellingen ervoor te zorgen dat ervaringsdeskundigheid vaker
kan worden ingezet bij de inzet van maatregelen in de jeugdbescherming.] ››
[De kamer,
constaterende dat het gebruik van budgetplafonds ervoor zorgt dat
jongeren soms niet de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben, ook als er
nog wel plek is bij een bepaalde aanbieder;
verzoekt de regering om het gebruik van budgetplafonds in de jeugdzorg
te verbieden.] ››
[De kamer,
constaterende dat de rapporten van de IGJ en de Inspectie JenV het
zoveelste signaal zijn van een enorme crisis in de jeugdzorg;
overwegende dat er tegelijkertijd enorme bezuinigingsplannen liggen
voor de jeugdzorg van 463 miljoen euro in 2026 en 570 miljoen euro in
2027, ondanks dat de commissie-Van Ark adviseerde voor deze jaren niet
van tevoren vast te leggen hoeveel er kan worden bespaard;
spreekt uit dat het oplossen van de crisis in de jeugdzorg een absolute
topprioriteit moet zijn en dat bezuinigingen dit niet mogen tegenwerken;
verzoekt de regering om alsnog te luisteren naar de commissie-Van Ark en
voor 2026 en 2027 niet van tevoren bezuinigingen op te leggen.] ››
[De kamer,
constaterende dat de inspecties vaststellen dat sommige gemeenten
verwijzingen van jeugdzorgwerkers naar passende zorg heroverwegen en
dat dit het de gecertificeerde instellingen onmogelijk maakt om hun taak
te doen;
overwegende dat dit ervoor zorgt dat jongeren nog moeilijker toegang
kunnen krijgen tot de zorg die zij nodig hebben;
verzoekt de regering om gemeenten erop aan te spreken dat zij verwijzingen van GI’s niet moeten heroverwegen en te onderzoeken welke
stappen verder kunnen worden genomen om dit tegen te gaan.] ››
[De kamer,
constaterende dat leerlingenvervoer voor kinderen die uit huis zijn
geplaatst soms niet wordt geregeld door de desbetreffende gemeente,
wat leidt tot extra trauma’s en schade;
constaterende dat alleen al het afgelopen schooljaar 38 keer een beroep is
gedaan op het Jeugdeducatiefonds om leerlingenvervoer na uithuisplaatsing te betalen, terwijl dit een taak is van gemeenten;
verzoekt de regering om te zorgen dat altijd het belang van het kind
vooropstaat en kinderrechten worden nageleefd en in dergelijke situaties
te zorgen dat gemeenten en desnoods het Rijk de kosten betalen van
leerlingenvervoer totdat er een permanente oplossing is.] ››
Verworpen op 9 december: 46 - 104
CU
50PLUS
Volt
DENK
FVD
BBB
PvdD
GL-PVDA
SP
JA21
SGP
PVV
VVD
CDA
D66
3 december, Voorstel van wet van de leden Paternotte en Bevers tot wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek (36416) (antwoord eerste termijn + rest)
[De kamer,
van mening dat onderzoek met speciaal daarvoor gekweekte embryo’s
sowieso niet toegestaan mag worden als er alternatieve onderzoeksmethoden beschikbaar zijn;
van mening dat dit betekent dat zodra er alternatieve onderzoeksmethoden ontwikkeld zijn, het verbod op het gebruik van speciaal daarvoor
gekweekte embryo’s direct weer geëffectueerd moet worden;
overwegende dat de Embryowet hierin voorziet, aangezien artikel 11 van
de wet aangeeft dat wetenschappelijk onderzoek verrichten met embryo’s
die speciaal daarvoor tot stand zijn gebracht, verboden is en blijft als er
alternatieve onderzoeksmethoden beschikbaar zijn;
overwegende dat het Rathenau Instituut echter terecht waarschuwt dat
het opheffen van het verbod op het speciaal kweken van embryo’s kan
leiden tot een verminderde inzet op het vinden van alternatieven;
verzoekt de regering zorg te dragen dat onderzoek naar alternatieven van
onderzoek met speciaal daarvoor gekweekte embryo’s langjarig door zal
gaan, en de Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang.] ››