De regering moet het centrale examen Nederlands voor het mbo (middelbaar beroepsonderwijs) behouden. Goed Nederlands is nodig om in de samenleving te kunnen werken. Het examen zorgt voor een hoog niveau en een waardevol diploma. Dit helpt studenten bij de doorstroom naar het hbo (hoger beroepsonderwijs). Zo ontstaan er geen grote verschillen tussen regio's.
Motie van het lid Boomsma over niet meegaan in de roep om het centraal examen Nederlands af te schaffen
De kamer,
constaterende dat een goede beheersing van het Nederlands een absolute
voorwaarde is om goed te kunnen functioneren in de Nederlandse
samenleving en dat mbo-studenten zonder stevige basis in het Nederlands op achterstand staan;
overwegende dat een duidelijk taalniveau in het mbo, dat is verankerd in
een centraal examen dat de niveaus 2F en 3F toetst, van belang is voor de
doorstroom naar het hbo en dat bij het vervallen hiervan de waarde van
het mbo-diploma zou verwateren;
overwegende dat moet worden voorkomen dat mbo-instellingen zelf
kunnen bepalen hoe ze het Nederlands gaan toetsen, omdat er dan grote
niveauverschillen kunnen ontstaan tussen regio’s;
overwegende dat als veel studenten zakken voor het examen Nederlands,
de oplossing niet kan zijn om de lat lager te leggen waardoor het
onderliggende probleem als het ware wordt verstopt;
verzoekt de regering niet mee te gaan in de roep om afschaffing van het
centraal examen Nederlands.
Argumenten voor: Centrale toetsen kunnen volgens de partij bijdragen aan kansengelijkheid omdat ze fungeren als een objectieve check die het schooladvies kan versterken of bijstellen [1].
Argumenten tegen: De partij stimuleert juist de ontwikkeling van alternatieve toetsvormen, zoals kleinschalige en diagnostische toetsen, die gericht zijn op ondersteuning in plaats van op selectie [1]. Daarnaast mag een toets niet zwaarder wegen dan de bredere ontwikkeling van het kind [1].
Bronnen:
"Volt gaat de overgang van basis naar voortgezet onderwijs eerlijker en kindgerichter maken. Centrale toetsen dragen bij aan kansengelijkheid door als objectieve check het schooladvies te versterken of bij te stellen. Tegelijkertijd mag de toets niet zwaarder wegen dan de bredere ontwikkeling van het kind. Volt pleit daarom voor een breder adviesproces, gebaseerd op de leerontwikkeling die leraren door de jaren heen waarnemen, in combinatie met doorstroomgesprekken met ouders en leerlingen. Volt stimuleert de ontwikkeling van alternatieve toetsvormen, zoals kleinschalige, diagnostische toetsen die gericht zijn op ondersteuning in plaats van selectie. Scholen krijgen hierbij inhoudelijke en professionele begeleiding om deze toetsen op een eerlijke en stressvrije manier te integreren in hun schooladvies."