Investeren in infrastructuur voor de economie

De politiek moet investeren in de infrastructuur, zoals wegen en spoorwegen. Dit is nodig voor een sterke Nederlandse economie. De afgelopen decennia is er te weinig geïnvesteerd omdat politici zich te veel richten op het winnen van stemmen in plaats van op de lange termijn.

Motie van het lid Heutink over uitspreken dat investeren in infrastructuur sexy en randvoorwaardelijk is voor een sterke Nederlandse economie

De kamer, constaterende dat ruim 70 jaar geleden politici investeerden in de Nederlandse infrastructuur omdat zij zagen dat het in het Nederlandse belang is om daar geld aan uit te geven; constaterende dat veel politici de afgelopen decennia niet hebben durven investeren in infrastructuur omdat dat geen zetels oplevert; spreekt uit dat investeren in infrastructuur sexy en randvoorwaardelijk is voor een sterke Nederlandse economie.
30 juni | Markusz | Verworpen: 38–112 |

Stemuitslag

Verkiezingsprogramma PvdD

Stemverwachting: voor (vrij zeker, 70%)

Argumenten voor: De partij pleit voor investeringen in sectoren met grote maatschappelijke waarde, zoals de zorg, het onderwijs en hernieuwbare energie [1]. Specifiek wordt het investeren in duurzame onderwijshuisvesting genoemd [2]. Daarnaast vindt de partij dat een visie vanuit de overheid op de toekomst van Nederland onmisbaar is voor de industrie [3].

Argumenten tegen: De partij stelt dat het welzijn van mensen niet afhankelijk mag zijn van economische groei [1], wat kan schuren met de motivatie in de motie dat infrastructuur essentieel is voor een sterke economie.

Bronnen:

  1. "We investeren in sectoren met grote maatschappelijke waarde en lage ecologische druk, zoals zorg, onderwijs, duurzame bouw, hernieuwbare energie en reparatiesectoren. Zo wordt welzijn niet afhankelijk van koopkracht of economische groei, maar gegarandeerd als basisrecht voor iedereen."
  2. "We investeren in duurzame onderwijshuisvesting, met een laag energieverbruik en gezond binnenklimaat."
  3. "We kiezen voor een economie die werkt vóór dier, mens en planeet, in plaats van ten koste van hen. Dat betekent: het maken en gebruiken van spullen binnen de draagkracht van de Aarde, met respect voor leven en toekomst. Het betekent ook dat we de economie democratiseren, en publieke voorzieningen niet langer overlaten aan de markt maar in handen van de samenleving brengen. Hiervoor zullen we ook heel duidelijke keuzes moeten maken over welke industrie wél een toekomst heeft in Nederland en welke industrie niet. Strategische autonomie is van belang op Europees niveau, maar niet haalbaar voor Nederland alleen. Er zijn sectoren, zoals staalproductie en andere energie-intensieve basisindustrie, die beter passen in landen waar meer ruimte is en goedkope groene energie. Nederland kan zich richten op hoogwaardige maakindustrie, waarvoor hier de juiste kennis, kunde en ruimte is. Een visie vanuit de overheid op hoe Nederland er in de toekomst uit zal zien is hiervoor onmisbaar."