Betere aanpak voor natuurgebieden

De regering moet de aanpak voor randzones bij Natura 2000-gebieden (beschermde natuurgebieden) verfijnen. De huidige zonering is op sommige plekken niet effectief. Een betere aanpak helpt bij het herstel van de natuur en de waterkwaliteit. Dit maakt ook het verlenen van vergunningen makkelijker.

Motie van de leden Grinwis en Goudzwaard over uitspreken dat het wenselijk is om zones van 1.000 meter te voorkomen

De kamer, overwegende dat een gebiedsbenadering zoals bij de Veluweaanpak grote meerwaarde heeft, waar een aanvankelijk beoogde 1.000 meterzone is omgewisseld naar een gebiedsaanpak inclusief een 500 meterzone; spreekt uit dat het wenselijk is dat wordt ingezet op het voorkomen van zones van 1.000 meter en wordt afgezien van zonering die niet effectief en proportioneel is zoals op de Waddeneilanden en langs de Hollandse en Zeeuwse kust; verzoekt de regering op weg naar de definitieve selectie van randzones bij Natura 2000-gebieden later dit jaar de aanpak te verfijnen, zodat de zoneringsaanpak daadwerkelijk effectief en doelmatig wordt ten behoeve van of waterkwaliteit of natuurherstel en -beheer van stikstofgevoelige habitats en daarmee voor vergunningverlening.
1 juli | CU, JA21 | Verworpen: 51–99 |

Stemuitslag

Verkiezingsprogramma CU

Stemverwachting: voor (vrij zeker, 85%)

Argumenten voor: De partij streeft naar stikstofbeleid dat werkbaar is en handelingsperspectief biedt voor ondernemers [4]. Een kernpunt is dat maatregelen moeten leiden tot een aantoonbare en geborgde reductie van emissies, wat essentieel is voor effectief natuurherstel en het weer mogelijk maken van de vergunningverlening [2][5]. Daarnaast pleit de partij voor een gebiedsspecifieke aanpak [3] en het gebruik van overgangszones rond natuurgebieden [1].

Argumenten tegen: Het programma bevat geen specifieke standpunten over de effectiviteit van een zone van 500 meter versus 1000 meter. Omdat de partij de nadruk legt op het borgen van natuurherstel [2][6], zou zij tegen kunnen stemmen als de voorgestelde kleinere zones niet effectief genoeg zouden zijn voor de gewenste natuurdoelen.

Bronnen:

  1. "De stikstofuitstoot wordt de komende tien jaar gehalveerd ten opzichte van 2019, zowel de uitstoot van stikstofoxiden in de mobiliteit en industrie als ammoniakuitstoot in de landbouw. Alle sectoren dragen naar rato bij. We stappen af van ingewikkelde berekeningen over waar stikstof precies terechtkomt en richten ons op het verminderen van de daadwerkelijke uitstoot. Ondernemers en dus ook boeren benaderen we vanuit vertrouwen in hun vakmanschap. Daarom stappen we zo veel mogelijk over van sturen op middelen naar sturen op doelen. Elk boerenbedrijf krijgt een bindend bedrijfsspecifiek doel dat is afgeleid van de landelijke opgave en sectorale emissieplafonds. Er komt daarmee veel minder nadruk in het beleid op opkoop van boerenbedrijven. De nadruk op emissie- en doelsturing is effectiever, zorgt ervoor dat er minder boerenbedrijven verdwijnen en vergt ook minder belastinggeld. Immers, met managementmaatregelen, slimme innovaties en een gunstige extensiveringsregeling in kwetsbare gebieden, zodat een bedrijf met minder vee uit kan, is aanzienlijke ammoniakreductie mogelijk. Er komt een agrarische hoofdstructuur, waar ruimte blijft voor hoogproductieve landbouw, en overgangszones rond natuurgebieden, waarin sprake is van extensivering van veehouderij en landgebruik. Grondgebondenheid in de melkveehouderij is een randvoorwaarde en gaan we na decennia van discussie eindelijk wettelijk vastleggen."
  2. "Bij alles wat we doen om uit het stikstofmoeras te komen is 'borgen van de aanpak' het sleutelwoord. Dit houdt in dat op voorhand duidelijk moet zijn dat beleid en maatregelen leiden tot een zekere reductie van schadelijke emissies, en daarmee bijdraagt aan natuurherstel. Dat is noodzakelijk om voorbij het additionaliteitsvereiste te komen. Pas dan komt vergunningverlening weer op gang en houden afgegeven vergunningen stand voor de rechter. Dat is dan ook de reden dat bij doelsturing op het boerenerf er altijd een stok achter de deur zal moeten staan, zodat de emissiereductie op voorhand geborgd is. Daarbij is het niet de bedoeling daadwerkelijk dierrechten te schrappen, wel om er zeker van te zijn dat er minder stikstof wordt uitgestoten en vergunningen weer kunnen worden verleend. Als een boerenbedrijf in alle redelijkheid te weinig doet om onder zijn emissieplafond uit te komen, dan is op dat moment minder dieren houden de consequentie. Daartegenover staat dat er 5 miljard euro extra uitgetrokken wordt om boeren te helpen bij doelsturing, extensivering, omschakeling naar biologische landbouw, agrarisch natuurbeheer en natuurherstel."
  3. "De stikstofproblematiek vraagt om duurzame mobiliteitsvormen. Het aantal vliegbewegingen in Nederland gaat naar beneden, ook de automobiliteit draagt bij. Industrieën met een hoge stikstofuitstoot krijgen, naast klimaatdoelen, bindende stikstofdoelen opgelegd. De regering maakt maatwerkafspraken met industriële piekbelasters. Ook worden er regionale stikstofbalansen opgesteld, zoals in Rijnmond en Chemelot, waar gebiedsspecifieke emissieplafonds gaan gelden. Industriële processen worden waar mogelijk verder geëlektrificeerd. In alle sectoren geldt dat aantoonbare stikstofreductie moet leiden tot vergunningverlening. In het stikstofbeleid gaan we daarom onderscheid maken tussen stikstofoxiden uit de pijp of uitlaat (NOx) en ammoniak uit dieren (NH3). Op die manier kan vergunningverlening voor bijvoorbeeld woningbouw en de aanleg van elektriciteitsnetten versneld worden. De relatief snelle daling van"
  4. "Stikstofwetgeving moet in de praktijk werkbaar zijn. Sturen op neerslag van stikstof in de natuur (depositie) is onwerkbaar gebleken. Het herleiden van depositiewaardes naar bedrijven is immers uiterst ingewikkeld en onzeker. Daarom moeten er landelijke, sectorale en uiteindelijk bedrijfsspecifieke emissienormen worden vastgelegd. Natuurlijk geldt de kritische depositiewaarde nog als indicator van de staat van de natuur, maar als wettelijk doel om op te sturen is de KDW onverstandig gebleken. Op deze manier creëren we handelingsperspectief. Om de bouw van woningen en wegen los te trekken voeren we een houdbare NOx-bouwvrijstelling in. Dit alles gaat samen met ambitieus emissiereductiebeleid."
  5. "boerenbedrijven die PAS-melder zijn niet over de juiste vergunningen. We zetten alles op alles om deze groep ondernemers te legaliseren met een natuurvergunning. Zo moeten de provincies gebiedsgericht met voorrang vrijgekomen stikstofruimte ter beschikking stellen aan deze ondernemers. Daarvoor moet wel voldaan worden aan het additionaliteitsvereiste. Legalisering kan daarom niet losstaan van op natuurherstel gerichte maatregelen in combinatie met een geborgd emissiereductieplan. PAS-melders met een lage impact op de natuur worden via een versnelde, eenvoudige procedure gelegaliseerd. Op Europees niveau wordt ingezet op het hanteren van realistische referentiedata voor de staat van de natuur."
  6. "Soms lijkt het alsof stikstof het enige probleem is voor de natuur. Dat is niet zo. Beleid om Nederland van het slot te krijgen, moet zich daarom niet eenzijdig richten op stikstofreductie maar integraal op natuurherstel en -ontwikkeling in samenhang met klimaat-, water- en milieubeleid. Zoals een nieuwe rentmeester zorgt voor hetgeen hem is toevertrouwd. Zie hierover verder paragraaf 6.2 'Gezonde natuur'."