De regering moet bij de Europese begrotingsonderhandelingen eisen dat 50% van het ontwikkelingsgeld (ODA) naar de armste landen gaat. Private bedrijven investeren daar te weinig vanwege de hoge risico's. Juist deze landen worden het hardst geraakt door klimaatverandering en conflicten.
Motie van de leden Dobbe en Van Baarle over pleiten voor een minimumbestedingspercentage van 50% van ODA-bestedingen aan de least developed countries
De kamer,
constaterende dat een groeiend deel van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking wordt ingezet via investeringsinstrumenten zoals de
Global Gateway;
overwegende dat private investeringen vaak onvoldoende van de grond
komen in de armste en meest fragiele landen vanwege hoge risico’s;
overwegende dat juist deze landen onevenredig zwaar worden getroffen
door bijvoorbeeld conflict en klimaatverandering;
verzoekt de regering tijdens de lopende onderhandelingen voor het
Meerjarig Financieel Kader van de EU te pleiten voor een minimumbestedingspercentage van 50% van ODA-bestedingen aan de least developed
countries.
Argumenten voor: De partij vindt dat armoede krachtig bestreden moet worden [2] en dat wereldwijd recht bevorderd moet worden [5]. Daarnaast is er sprake van een streven naar welvaart met verantwoordelijkheid [4] en een noodzaak voor samenhang tussen handel en ontwikkelingssamenwerking [1]. Ook wordt de ondersteuning van basisvoorwaarden om de integriteit van de samenleving te versterken en migratie te voorkomen als belangrijk gezien [3].
Argumenten tegen: Er zijn geen fragmenten in het programma die argumenten bieden tegen de motie.
Bronnen:
"Nederland is van oudsher een handelsland. Nu ons verdienvermogen onder druk staat door torenhoge klimaatambities en toenemende regeldruk is het van belang dat er voldoende ruimte blijft om te ondernemen. Ons verdienvermogen staat echter niet los van bredere waarden. Buitenlandse handel vraagt ook om respect voor soevereiniteit, eerlijke productie en samenhang met ontwikkelingssamenwerking."
"In het Israël van het Oude Testament mocht er geen enkele bedelaar zijn: armoede diende krachtig bestreden te worden (Deuteronomium 15:4). De hele samenleving is medeverantwoordelijk voor armoedebestrijding. Daarom verdienen maatschappelijke initiatieven ruim baan. Aan de overheid de taak de samenleving op te laten bloeien in plaats van dicht te reguleren. Te veel huishoudens hebben in ons land te weinig inkomen om van rond te komen."
"Nederland houdt in het beleid nadrukkelijk rekening met doelgroepen, waaronder de positie van mensen met beperkingen. Om ieder kind en iedere jongere een goede start te bieden, steunt Nederland goed basis- en vakonderwijs. Het simuleren van werkgelegenheid kan ook migratie helpen voorkomen."