De regering moet bij de Europese begrotingsonderhandelingen eisen dat 50% van het ontwikkelingsgeld (ODA) naar de armste landen gaat. Private bedrijven investeren daar te weinig vanwege de hoge risico's. Juist deze landen worden het hardst geraakt door klimaatverandering en conflicten.
Motie van de leden Dobbe en Van Baarle over pleiten voor een minimumbestedingspercentage van 50% van ODA-bestedingen aan de least developed countries
De kamer,
constaterende dat een groeiend deel van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking wordt ingezet via investeringsinstrumenten zoals de
Global Gateway;
overwegende dat private investeringen vaak onvoldoende van de grond
komen in de armste en meest fragiele landen vanwege hoge risico’s;
overwegende dat juist deze landen onevenredig zwaar worden getroffen
door bijvoorbeeld conflict en klimaatverandering;
verzoekt de regering tijdens de lopende onderhandelingen voor het
Meerjarig Financieel Kader van de EU te pleiten voor een minimumbestedingspercentage van 50% van ODA-bestedingen aan de least developed
countries.
Argumenten voor: De partij streeft naar een gelijkwaardige samenwerking met Afrikaanse landen [1] en een financieringsmodel dat eenzijdige afhankelijkheid voorkomt [2]. Daarnaast wil de partij dat lage- en middeninkomenslanden meer invloed krijgen in internationale organisaties [3].
Argumenten tegen: Er wordt gesteld dat geld voor ontwikkelingssamenwerking alleen naar projecten moet gaan die financieel rendabel zijn [1].
Bronnen:
"De EU moet Afrika als een gelijkwaardige partner behandelen. Samenwerking moet gericht zijn op door Afrikaanse landen zelf gekozen ontwikkeling, met respect voor hun soevereiniteit en welvaart. De EU helpt daarbij met leningen en investeringen via internationale en lokale ontwikkelingsbanken. Deze investeringen richten zich op het voorkomen van klimaatschade, het bestrijden van armoede en het versterken van democratie in de regio. Het geld gaat alleen naar projecten die financieel rendabel zijn en door de landen zelf worden uitgevoerd. Goede ambassades ter plekke zijn hiervoor belangrijk."
"Het EU- en Nederlands ontwikkelingsbudget wordt omgezet in een financieringsmodel gebaseerd gelijkwaardige samenwerking. Landen die aantoonbaar stappen vooruit zetten in hun democratie (bijvoorbeeld op het gebied van rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting en persvrijheid) zullen hiervan profiteren. Volt zet lokale experts, ngo's, banken, investeringsfondsen en bedrijven centraal in buitenlandse betrekkingen. Zo creëren we samenwerking op een gelijkwaardige manier, in plaats van vanuit eenzijdige afhankelijkheid. Extra nadruk wordt gelegd op het financieren van projecten in lokale valuta. Dit in tegenstelling tot de huidige praktijk waarbij financieringen door ontwikkelingsbanken meestal in harde valuta zoals de euro of de dollar worden verschaft, waardoor schulden in geval van een ontwaarding van de lokale valuta onbetaalbaar worden."
"Volt wil dat lage- en middeninkomenslanden meer invloed krijgen in internationale organisaties zoals de World Trade Organization (WTO), de VN en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)."