Controle op kosten en voortgang waterstofnetwerk

De regering moet de Kamer elke zes maanden informeren over de kosten en de voortgang van het landelijke waterstofnetwerk. De Algemene Rekenkamer is kritisch op eerdere schattingen. De Kamer moet kunnen controleren of het geld goed wordt uitgegeven en of de doelen haalbaar zijn. Als de plannen niet meer kloppen, moet de regering met nieuwe voorstellen komen om bij te sturen.

Motie van de leden Boomsma en Van den Berg over de Kamer halfjaarlijks informeren over de kostenraming, voortgang en haalbaarheid van het landelijke waterstofnetwerk

De kamer, constaterende dat de Algemene Rekenkamer kritisch is over eerdere kostenramingen, haalbaarheid en de informatievoorziening aan de Kamer; overwegende dat de Kamer tijdig moet kunnen controleren of publieke middelen doelmatig worden besteed en of de gestelde doelen nog realistisch zijn; verzoekt de regering de Kamer halfjaarlijks te informeren over de actuele kostenraming, voortgang en haalbaarheid van het landelijke waterstofnetwerk; verzoekt de regering daarbij expliciet aan te geven in hoeverre de planning, kosten en doelen (nog) haalbaar en realistisch zijn, en, indien dat niet het geval is, voorstellen te doen voor bijsturing van die doelen.
3 juni | JA21 |

Stemverwachting

Verkiezingsprogramma CU

Stemverwachting: voor (vrij zeker, 85%)

Argumenten voor: De partij ziet waterstof als een cruciaal onderdeel van de energietransitie, onder andere voor het stimuleren van de productie voor zwaar wegtransport [2], het ontlasten van het elektriciteitsnet [1] en het ombouwen van gascentrales naar CO2-vrije centrales [4]. Daarnaast wil de partij dat de overheid nationale regie voert over de energie-infrastructuur [5] en inzet op grootschalige investeringen in de uitvoering en infrastructuur [3]. Omdat de partij erkent dat de klimaat- en energietransitie zich in een 'taaie fase' bevindt waarbij randvoorwaarden voor vergroening op orde moeten worden gebracht [6], kan het monitoren van de haalbaarheid en kosten van het waterstofnetwerk passen binnen hun streven naar doortastend beleid en goede uitvoering [3].

Argumenten tegen: Er zijn in de verstrekte teksten geen argumenten te vinden die tegen de motie pleiten.

Bronnen:

  1. "De overheid zet in op flexibilisering van de elektriciteitsvraag, netbewuste verduurzaming, aanjagen van de warmtetransitie en regie voeren op energieopslag. Projecten die de energietransitie bevorderen en het elektriciteitsnet ontlasten, zoals waterstofproductie en batterijen, krijgen een lager nettarief. Voor thuisbatterijen komt een helder kader voor brandveiligheid, garanties en levensduur, normering voor het gebruik van zeldzame materialen en verplichte mogelijkheid voor de netbeheerder om aan- en af te schakelen. De netbeheerder mag zelf energieopslag inzetten en krijgt ruimte om in deze projecten financieel te participeren. Ook ondersteunt de overheid projecten die netverzwaring kunnen voorkomen, zoals het valmeerproject Delta21, slimme gebouwsturing en slimme waterboilers. Energiebedrijven krijgen ruimte om energie op wisselende piek- en daltarieven aan te bieden, maar wel per seizoen met hetzelfde patroon. Verslimmen van het net gebeurt door monitoring, aansturen van de netten, flexibiliteit in aansluitingen en gebruik, en het verplicht teruggeven van netcapaciteit die niet gebruikt wordt."
  2. "We stimuleren het gebruik van zero-emissie auto's. We passen de motorrijtuigenbelasting aan, via een gewichtscorrectie voor elektrische auto's. We introduceren voor de auto een kilometerprijs, gedifferentieerd naar milieukenmerken, tijd en plaats: op het platteland laag, op drukke momenten in de brede Randstad hoger. Bij de invoering worden privacyoverwegingen, fraudegevoeligheid en uitvoerbaarheid meegewogen. Het wegvervoer draagt bij aan de nationale stikstofdoelstellingen. We stimuleren de productie van groene waterstof met het oog op vrachtvervoer, inclusief zwaar wegtransport."
  3. "Het kabinet dat na de verkiezingen aantreedt, moet Nederland van het slot halen. Met dappere keuzes, doortastend beleid, grootschalige investeringen in onderhoud, uitvoering, (energie)infrastructuur en duidelijke wetgeving, komt Nederland uit het stikstofmoeras en krijgen bedrijven perspectief op een duurzame toekomst."
  4. "In het toekomstig energiesysteem is het van belang dat de vraag zoveel mogelijk meebeweegt met het aanbod, maar hier zitten in de praktijk grenzen aan. Batterij-opslag is noodzakelijk voor het moment dat de wind niet waait en de zon niet schijnt. Ook moeten gascentrales die nu voor flexibiliteit zorgen in het aanbod, worden omgebouwd naar CO2-vrije centrales op waterstof of een andere regelbare brandstof. Dit vraagt om actieve interventie van de overheid om duurzaam vermogen te waarborgen. Bijvoorbeeld in de vorm van het opzetten van een capaciteitsmarkt."
  5. "De netverzwaring wordt een kwestie van nationaal belang. De overheid neemt nationale regie over de energie-infrastructuur, zet in op het vereenvoudigen van de vergunnings- en beroepsprocedures en heeft oog voor het belang van uitvoering bij netbeheerders, provincies en gemeenten. We stellen extra geld uit het Klimaatfonds beschikbaar om netverzwaring en de warmtetransitie een noodzakelijke impuls te geven. Netbeheerders krijgen snel vergunningen en meer fysieke ruimte om transformatorhuisjes en kabels te realiseren. Vergunningen worden sneller verleend en kritische infrastructuur wordt via nationale coördinatie afgestemd op verwachte vraag en lokale opwekking en opslag."
  6. "De klimaat- en energietransitie zit in een taaie fase. Klimaatdoelen afspreken bleek nog vrij eenvoudig, klimaatdaden stellen en volhouden blijkt een stuk ingewikkelder. Dat heeft deels te maken met de ingewikkelde internationale context, maar ook met het feit dat Nederland zijn randvoorwaarden voor vergroening van de economie niet op orde heeft: het elektriciteitsnet zit overvol, de vergunningverlening zit op slot en er is een gebrek aan goed opgeleide vakmensen. Die randvoorwaarden moeten met voorrang op orde worden gebracht, anders komen burgers en bedrijven in de knel, omdat er geen reëel handelingsperspectief is (zie ook hoofdstuk 2 'Nederland van het slot')."