De regering moet voorkomen dat zij zich bindt aan de islamitische mensenrechten uit de Verklaring van Caïro. Deze regels mogen ook geen rol spelen bij uitlevering aan Marokko. De Verklaring is gebaseerd op de sharia. Deze regels botsen met westerse mensenrechten, zoals de vrijheid van godsdienst en de gelijkheid van vrouwen. Dit kan het uitleveren van personen onnodig blokkeren.
Motie van het lid Faber over nederland niet indirect binden aan de islamitische mensenrechten
De kamer,
constaterende dat de bepalingen uit het verdrag tussen Nederland en
Marokko worden geleid door de wens dat de mensenrechten van elke
partij worden geëerbiedigd;
constaterende dat Marokko sinds de oprichting in 1969 van de Organisation of Islamic Cooperation (OIC) lid is en dat de Verklaring van Caïro in
1990 is geaccepteerd door het OIC;
overwegende dat de Verklaring van Caïro de islamitische mensenrechten
omvat, die haaks staan op de westerse mensenrechten;
constaterende dat binnen de Verklaring van Caïro alle mensenrechten zijn
onderworpen aan de sharia, die voorziet in onder andere het opleggen
van de doodstraf en de ongelijke behandeling van vrouwen, en die niet
voorziet in de vrijheid van godsdienst;
overwegende dat de islamitische mensenrechten een extra blokkade
vormen voor uitlevering naar Marokko;
verzoekt de regering Nederland niet indirect te binden aan de islamitische
mensenrechten die volgen uit de verklaring van Caïro en te onderschrijven dat dit geen factor is inzake uitlevering.
Goedkeuring van het op 18 december 2023 te Rabat tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering (Trb. 2024, 1) (36688-(R2205))