De regering moet zorgen dat veiligheidsvoorzieningen op scholen, zoals meldroutes en vertrouwenspersonen, voor iedere leerling toegankelijk zijn. Leerlingen met een beperking of een neurodivers profiel (zoals autisme) hebben vaak andere manieren van communiceren nodig. Als zij niet goed kunnen melden, zijn zij niet echt beschermd tegen onveiligheid.
Motie van de leden Ceder en Rooderkerk over borgen dat veiligheidsvoorzieningen op scholen aantoonbaar toegankelijk zijn voor alle leerlingen van de school
De kamer,
constaterende dat veiligheidsinstrumenten zoals meldroutes, vertrouwenspersonen en klachtenprocedures niet voor iedere leerling even
toegankelijk zijn;
overwegende dat leerlingen met een beperking, ondersteuningsbehoefte
of neurodivers profiel vaak andere vormen van communicatie en
ondersteuning nodig hebben om signalen van onveiligheid te kunnen
delen;
overwegende dat toegankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde is voor
daadwerkelijke bescherming;
verzoekt de regering om in samenspraak met school- en leerlingenorganisaties te borgen dat veiligheidsvoorzieningen op scholen aantoonbaar
toegankelijk zijn voor alle leerlingen van de school, ongeacht
ondersteunings- en communicatiebehoefte.
Argumenten voor: De partij stelt dat de overheid verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van voldoende goede hulp en deugdelijk toezicht wanneer de veiligheid van een kind in het geding is [1]. Het waarborgen dat veiligheidsvoorzieningen op scholen toegankelijk zijn voor alle leerlingen, ongeacht hun ondersteunings- of communicatiebehoefte, sluit aan bij de noodzaak om effectieve hulp en toezicht te bieden aan kinderen die dit nodig hebben [1].
Argumenten tegen: Het verkiezingsprogramma bevat geen argumenten die zich verzetten tegen het toegankelijker maken van veiligheidsvoorzieningen of het vergroten van de bescherming van leerlingen.
Bronnen:
"Het is een pijnlijke realiteit dat het ondersteunen van gezinnen en gemeenschappen en de inzet van vrijwillige jeugdhulp niet altijd toereikend is om kinderen een veilige situatie te bieden. De omstandigheden thuis kunnen zo bedreigend worden dat ingrijpen noodzakelijk is. Die situaties dienen zoveel mogelijk beperkt te worden. Als toch ingegrepen moet worden, is de overheid verantwoordelijk voor deugdelijk toezicht op het kind en beschikbaarheid van voldoende goede hulp. De inzet is zoveel mogelijk gericht op terugkeer naar het gezin, tenzij duidelijk blijkt dat dit in strijd is met het belang van het kind."