Fysieke hulp bij digitale overheidszaken

De regering moet afspraken maken met gemeenten zodat er in elke gemeente fysieke hulp is bij digitale overheidszaken. Niet iedereen kan namelijk zelfstandig met digitale loketten of apps omgaan. Daarom moeten Informatiepunten Digitale Overheid (plekken voor hulp bij online zaken) overal beschikbaar zijn. Hulp mag niet afhangen van de woonplaats.

Motie van het lid Vermeer over afspraken met gemeenten over hulp bij digitale overheidszaken

De kamer, constaterende dat steeds meer overheidszaken digitaal geregeld moeten worden; constaterende dat niet iedere inwoner zelfstandig uit de voeten kan met digitale loketten, apps en formulieren; overwegende dat Informatiepunten Digitale Overheid en vergelijkbare fysieke vormen van ondersteuning voor veel mensen onmisbaar zijn; van mening dat inwoners niet afhankelijk mogen zijn van hun postcode voor hulp bij de digitale overheid; verzoekt de regering om in bestuurlijke afspraken met gemeenten vast te leggen dat in iedere gemeente laagdrempelige, fysieke hulp bij digitale overheidszaken beschikbaar blijft, en daarbij ook duidelijk te maken welke structurele middelen daarvoor nodig zijn.
18 juni | BBB | Aangenomen: 142–7 |

Stemuitslag

Verkiezingsprogramma CU

Stemverwachting: voor (vrij zeker, 85%)

Argumenten voor: De partij vindt dat de Rijksoverheid gemeenten voldoende geld moet geven om hun taken uit te voeren, onder het principe van 'geen taken zonder knaken' [1]. Daarnaast wordt benadrukt dat gemeenten adequate financiële middelen moeten hebben om hun lokale beleid goed te kunnen voeren [4]. Ook wil de partij dat voorzieningen en de kwaliteit van leven in de hele regio beschikbaar blijven [2]. Bovendien erkent de partij dat digitalisering risico's kent [3], wat de noodzaak voor ondersteuning onderstreept.

Argumenten tegen: Er zijn in het programma geen argumenten te vinden die zich uitspreken tegen het vastleggen van fysieke hulp of het verduidelijken van de benodigde middelen voor gemeenten.

Bronnen:

  1. "De Rijksoverheid moet recht doen aan gemeenten als eerste overheid. Van alle overheden krijgen burgers vaak het meest te maken met de eigen gemeente, van de wieg tot het graf. Het Rijk geeft gemeenten daarom ruimte, vertrouwen en voldoende geld om hun werk te kunnen doen. De Rijksoverheid stopt met het overhevelen van taken aan gemeenten zonder toereikend budget en herstelt waar dit de afgelopen jaren is misgegaan: geen taken zonder knaken. Gemeenten worden beter gefinancierd zodat ze ruimte hebben voor eigen beleid."
  2. "Investeringen van het Rijk moeten meer bijdragen aan sterke regio's. Het Rijk stelt met regiodeals geld beschikbaar om de kwaliteit van leven, wonen en werken in de regio te verhogen. Uitvoeringsorganisaties van het Rijk worden door heel het land gevestigd. Elke regio heeft genoeg OV, zorg- en onderwijsvoorzieningen en krijgt hiervoor geld van het Rijk. Zo houden we gebieden leefbaar. We behouden de toeslag voor kleine scholen. Hogescholen krijgen geld om kleine en kwetsbare opleidingen in de regio overeind te houden. We houden posten voor spoedeisende hulp en andere vormen van acute zorg open door het hele land."
  3. "Digitalisering biedt veel kansen maar kent ook risico's. De overheid moet grenzen stellen waar het gaat om de inzet van technieken en de regulering van ons digitale maatschappelijke verkeer, bijvoorbeeld bij het gebruik van kunstmatige intelligentie en algoritmes. De overheid zelf maakt een gedegen afweging of voor machine learning algoritmes of alternatieven gekozen wordt. Het algoritmeregister wordt uitgebreid en verplicht gesteld, zodat transparant is hoe algoritmes worden ingezet. Ons recht op privacy en onze vrije en ongefilterde toegang tot gegevens kunnen in het gedrang komen als we niet meer grip krijgen op grote techbedrijven die grote hoeveelheden data over ons verzamelen en steeds meer bepalen welke informatie wij zien. Social media bedrijven worden verplicht om minder 'polariserende algoritmes' in te zetten, bijvoorbeeld door gebruikers keuze vrijheid te geven over hoe aanbevelingen tot stand komen."
  4. "Het aantal mensen en kinderen dat in armoede leeft moet sterk omlaag. Voor een beter armoedebeleid is het advies van de Commissie Sociaal Minimum de leidraad. Het sociaal minimum moet voldoende zijn om van rond te kunnen komen. Periodiek wordt getoetst of het sociaal minimum nog voldoende is. Ook wordt het niet-gebruik van regelingen teruggedrongen (bijvoorbeeld via gegevensuitwisseling). De verschillen in armoederegelingen tussen gemeenten zijn nu te groot en een aantal verschillende regelingen te ingewikkeld. Dit moet eenvoudiger. Gemeenten moeten adequate financiële middelen hebben om goed, lokaal toegespitst armoedebeleid te voeren. De Rijksoverheid gaat weer werken met een doelstelling om de (kinder)armoede te verlagen in plaats van armoede niet te laten toenemen."