De regering moet discriminatie in het eigen beleid en de uitvoering ervan voorkomen. In een rechtsstaat moet de overheid iedereen gelijk behandelen. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken moet hiervoor de leiding nemen bij andere ministeries. Deze aanpak moet onderdeel zijn van de reactie op het eindrapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme.
Motie van het lid Van Baarle over een versterkte aanpak van discriminatie in overheidsbeleid en uitvoering
De kamer,
constaterende dat het in een rechtsstaat van belang is dat de overheid het
recht op gelijke behandeling respecteert in woord en daad;
overwegende dat hiervan deel dient uit te maken dat de overheid alles in
het werk stelt om discriminatie in het eigen beleid en de uitvoering
hiervan te voorkomen;
verzoekt de regering om te komen tot een versterkte aanpak om discriminatie in overheidsbeleid en de uitvoering van beleid te voorkomen, en te
bezien hoe de coördinerende rol van het Ministerie van Binnenlandse
Zaken hierin verder kan worden versterkt ten aanzien van overige
departementen en de uitvoering;
verzoekt de regering tevens om deze beleidsversterking onderdeel te laten
zijn van de kabinetsreactie op het eindrapport van de Staatscommissie
tegen Discriminatie en Racisme.
Argumenten voor: De partij stelt dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft en actief haar eigen beleid moet toetsen op uitsluiting, vooroordelen en het wegnemen van drempels [1]. De partij wil een stevige aanpak van alle vormen van discriminatie [2] en benadrukt dat er een gezamenlijke verantwoordelijkheid is om discriminatie hard te bestrijden [3]. Daarnaast steunt de partij het uitvoeren van aanbevelingen uit rapporten om misstanden aan te pakken [6] en wil zij dat regelingen die mensen direct raken, niet op afstand van de verantwoordelijke minister staan [4].
Argumenten tegen: De partij stelt dat de politiek niet op de stoel van de uitvoering moet gaan zitten [5]. Hoewel de motie vraagt om coördinatie en beleidsversterking, zou men kunnen betogen dat dit de autonomie van de uitvoering beïnvloedt, maar het programma bevat geen expliciete argumenten tegen een versterkte aanpak van discriminatie.
Bronnen:
"Het Rijk heeft een voorbeeldfunctie en toetst actief het eigen beleid op uitsluiting, vooroordelen en het wegnemen van drempels. De overheid draagt bij aan bewustwording en transparantie."
"We treden hard op tegen elke vorm van discriminatie en stereotypering, onder meer van moslims. We zetten in op een stevige aanpak van discriminatie, zoals leeftijdsdiscriminatie van ouderen, migrantenkinderen die geen stageplaats kunnen krijgen, of discriminatie op basis van gender, religie, seksuele geaardheid of achternaam."
"We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om uitsluiting tegen te gaan en discriminatie hard te bestrijden. Discriminatie ondermijnt niet alleen de waardigheid van mensen, maar ook de samenhang in onze samenleving. We maken werk van het verkleinen van sociaaleconomische verschillen die grote effecten hebben in de zorg en in het onderwijs. We onderschrijven het belang van een gelijkwaardige positie van vrouwen in onze samenleving."
"De uitvoering van de overheid moet slagvaardiger. We pakken de veelheid vanorganisatievormen met onder andere zelfstandige bestuursorganen (zbo's), agentschappen, en toezichthouders aan. We willen dat regelingen waar de minister eindverantwoordelijk voor is en die rechtstreeks mensen raken, niet op afstand staan van de minister."
"De uitvoering wordt vroegtijdig betrokken bij het opstellen van beleid. Zo werken beleid en uitvoering samen vanuit hun eigen rol om samen beter en uitvoerbaar beleid te maken. De politiek moet niet op de stoel van de uitvoering gaan zitten."
"We voeren de aanbevelingen uit het rapport Geen tweederangsburgers. Aanbevelingen om misstanden bij arbeidsmigranten in Nederland tegen te gaan onverkort en met urgentie verder uit. Gemeenten en werkgevers zijn samen verantwoordelijk voor een goede registratie van arbeidsmigranten."