De regering moet beter onderbouwen hoe het doel om 46 tot 50 kiloton ammoniak te verminderen wordt gehaald. Het huidige beleid sluit namelijk mogelijk niet goed aan bij de plannen voor de Natura 2000-gebieden (beschermde natuurgebieden).
Motie van het lid Grinwis over een nadere onderbouwing van het ammoniakreductiedoel
De kamer,
overwegende dat in het maatregelpakket van het kabinet potentieel
spanning zit tussen het voorgenomen generieke beleid en wat daadwerkelijk nodig is vanuit de beheerplannen van de Natura 2000-gebieden;
verzoekt de regering in dat licht het beoogde totale ammoniakreductiedoel van 46 tot 50 kiloton bij de uitwerking van het maatregelpakket
nader te onderbouwen.
Argumenten voor: De partij wil afstappen van de huidige sturing op basis van de berekende hoeveelheid neerslag (KDW-doelen) en wil deze vervangen door sectorgebonden emissieplafonds en een gebiedsgerichte aanpak voor de zwaarste probleemgebieden [1]. Daarnaast pleit de partij voor een aanpak waarbij de feitelijke staat van de natuur en monitoring leidend zijn bij vergunningverlening [2], en waarbij ondernemers kunnen sturen op basis van eigen metingen [3]. Het beter onderbouwen van het reductiedoel in relatie tot de specifieke behoeften van Natura 2000-gebieden sluit aan bij deze wens om van generiek beleid naar een meer effectieve, gebiedsgerichte en op de feitelijke natuur gebaseerde aanpak te gaan [1][2].
Argumenten tegen: De partij wil de motiestroom in de Tweede Kamer beperken en stemt tegen moties die geen overduidelijke meerwaarde hebben [4].
Bronnen:
"Fors verminderen van de stikstofuitstoot: We gaan zorgen voor concrete, generieke stikstofreductie door te sturen op emissies waarbij alle sectoren evenredig bijdragen. Zo komt er weer ruimte voor vergunningverlening. De huidige wetgeving kent reductiedoelen voor de berekende hoeveelheid neerslag op natuurgebieden. We gaan deze KDW-doelen vervangen door sectorgebonden emissieplafonds, inclusief wettelijke tussendoelen, die optellen tot 50% geborgde emissiereductie in 2035. Daarnaast is er een gebiedsgerichte aanpak nodig voor de gebieden waar de problematiek het zwaarst speelt, zoals bij De Peel en De Veluwe, met regionale betrokkenheid noodzakelijke keuzes over aanvullende emissiereductie en extensivering. Rijk, provincies en gemeenten moeten samenwerken om te komen tot een effectieve uitvoering, onder meer met ruimtelijke ordeningsinstrumentarium, ondersteuning van nieuwe verdienmodellen, vrijwillige regelingen en gerichte inzet van middelen voor agrarisch natuurbeheer."
"Wet- en regelgeving werkbaar maken: Op het moment dat een structurele emissiereductie wettelijk is geborgd, zorgt de overheid voor de noodzakelijke randvoorwaarden. Zo worden PAS-melders, ondernemers die te goeder trouw hebben gehandeld maar nu zonder vergunning zitten, gelegaliseerd met bijvoorbeeld een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens. We willen per sector bekijken of een drempelwaarde mogelijk is - om te beginnen voor de bouw, die slechts tijdelijk een geringe uitstoot veroorzaakt. Er moeten weer vergunningen komen voor agrariërs om aan de slag te gaan met stikstofreducerende innovaties, waarvan het grote potentieel recent is aangetoond door onderzoek van de Wageningen Universiteit. En uiteindelijk moeten we waar mogelijk af van de eenzijdige focus op stikstof door op basis van onafhankelijke en langdurige monitoring de feitelijke staat van de natuur leidend te maken bij vergunningverlening."
"De boer aan het roer: Op basis van een nationaal stikstofemissieplafond krijgen landbouwbedrijven een reductiedoelstelling met afrekenbare normen per hectare of per dier. Agrarische ondernemers worden dan niet meer afgerekend op modelmatig berekende neerslag, maar kunnen hun emissies monitoren en krijgen de ruimte om te voldoen aan een heldere doelstelling op een manier die past bij hun bedrijf. Bijvoorbeeld met extensivering, managementmaatregelen of stikstofreducerende innovaties."
"Politiek die zichzelf serieus neemt: De Tweede Kamer is het hoogste orgaan van het land. Die taak moet dus ook serieus genomen worden. We willen dat de politiek zich richt op het oplossen van problemen van mensen thuis, niet op ophef. Volksvertegenwoordiging is meer dan moties indienen. Om de motiestroom tegen te gaan stemmen we daarom zelf tegen moties die geen overduidelijke meerwaarde hebben, bijvoorbeeld omdat de minister iets al heeft toegezegd of omdat eerder soortgelijke moties zijn aangenomen. We zorgen dat Kamerleden goede ondersteuning hebben en dat de controlerende taak van de Kamer versterkt wordt door het overnemen van de aanbevelingen uit het rapport Voor een Kamer die Werkt."