1 april, Debat over de vervolging van Christenen wereldwijd

Sancties tegen Israël voor Palestijnse christenen

De regering moet sancties instellen tegen Israël. Israël pleegt of duldt misdaden tegen Palestijnse christenen, zoals geweld, intimidatie en onteigening. Deze acties moeten stoppen om de groep te beschermen. ›› 
1 april | DENK | Verworpen: 63–87 |
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026
De kamer, overwegende dat de Israëlische regering misdaden pleegt tegen Palestijnse christenen, zoals onteigening, verdrijving, geweld en intimidatie, of nalaat hiertegen op te treden; van mening dat misdaden tegen christenen gestopt moeten worden; verzoekt de regering om de misdaden tegen Palestijnse christenen te beantwoorden met sancties tegen Israël.

Aanpak straffeloosheid geweld tegen christenen

De regering moet het aanpakken van geweld tegen christenen opnemen in haar beleid en diplomatiek aankaarten. Op veel plekken ter wereld blijven daders ongestraft. Dit bedreigt de religieuze vrijheid en mensenrechten. Nederland moet internationaal aandringen op vervolging. ›› 
1 april | DENK, CU | Aangenomen: 150–0 |
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026
De kamer, constaterende dat er op te veel plekken in de wereld geweld wordt gepleegd tegen christenen; van mening dat dit geweld niet zonder straf mag blijven; verzoekt de regering om het bestraffen van daders van geweld tegen christenen aandacht te geven binnen het eigen beleid ter voorkoming van straffeloosheid, en hier in diplomatieke contacten op t wijzen.

Sterke EU-beleidsmedewerker voor godsdienstvrijheid

De regering moet zich hard maken voor een krachtige rol van de EU speciaal gezant voor godsdienstvrijheid. Deze functie is na een tijd vacant nu weer ingevuld en moet stevige financiële middelen, een duidelijk mandaat en een vaste plek binnen de Europese Commissie krijgen. Nederland moet hierin het voortouw nemen. ›› 
1 april | CU, SGP | Aangenomen: 79–71 |
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026
De kamer, overwegende dat de Europese Commissie eindelijk weer een speciaal gezant voor godsdienstvrijheid heeft aangesteld; verzoekt de regering om zich in EU-verband hard te maken voor een ambitieuze invulling van de speciaal gezant, inclusief voldoende budget, mandaat en structurele institutionele inbedding; verzoekt het kabinet hierin een leidende rol te pakken.

Strijd tegen gedwongen huwelijken in buitenland

De regering moet gedwongen huwelijken en kindhuwelijken bespreken in overleg met andere landen. Deze praktijken schenden de rechten van vrouwen, kinderen en geloofsgroepen. Andere landen moeten zorgen voor eerlijke rechtspraak. ›› 
1 april | CU, D66 | Aangenomen: 149–1 |
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026
De kamer, constaterende dat in diverse landen nog steeds gedwongen (kind)huwelijken plaatsvinden, die vaak samengaan met gedwongen bekering en seksueel misbruik; overwegende dat hiermee zowel de rechten van vrouwen en kinderen als de rechten van minderheden als christenen worden geschonden; verzoekt de regering om actief deze praktijken aan te kaarten in bilaterale contacten met regeringen en daarbij in het bijzonder ook het belang van eerlijke rechtspraak naar voren te brengen.

Maatregelen tegen doodstraf voor godslastering

De regering moet onderzoeken welke maatregelen Nederland kan nemen tegen landen met de doodstraf voor godslastering of afvalligheid (het verlaten van het geloof). Deze wetten worden misbruikt om christenen vals te beschuldigen. Nederland moet zijn aanpak hiertegen versterken. ›› 
1 april | CU, JA21 | Aangenomen: 143–7 |
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026
De kamer, overwegende dat in diverse islamitische landen de doodstraf staat op godslastering of afvalligheid en deze wetten worden misbruikt om christenen vals te beschuldigen; verzoekt de regering om potentiële maatregelen tegen landen waar de doodstraf op godslastering of afvalligheid geldt in kaart te brengen en die met de Kamer te delen om te komen tot een strategie om de Nederlandse inzet op dit punt te vergroten.
1 april, Tweeminutendebat Leraren (CD 25/3)

Geen verplichting tot evidence-informed werken

De regering moet in het wetsvoorstel Concretisering deugdelijkheidseisen afzien van een verplichting tot evidence-informed werken (werken op basis van onderzoek). Verplichte methoden beperken de professionele vrijheid van leraren. Leraren hebben juist meer ruimte voor eigen vakmanschap nodig om het beroep aantrekkelijker te maken. De Onderwijsraad raadt de verplichting ook af. ›› 
1 april | SGP |
Werken in het onderwijs
De kamer, overwegende dat het voor het vergroten van de status en aantrekkelijkheid van het leraarsberoep cruciaal is dat leraren voldoende ruimte voor vakmanschap hebben; overwegende dat het voorschrijven van het gebruik van bewezen effectieve methoden de ruimte voor vakmanschap beperkt, terwijl wetenschappelijk gezien veel beperkingen kleven aan de inzet van deze methoden; constaterende dat de Onderwijsraad adviseert het gebruik van bewezen effectieve methoden niet wettelijk te verplichten en het evidence-informed werken niet te koppelen aan bewezen effectieve methoden; verzoekt de regering in het wetsvoorstel Concretisering deugdelijkheidseisen geen verplichting op te nemen om evidence-informed te werken.

Leservaring voor onderwijsleiding

De regering moet leservaring opnemen in de beroepsstandaarden van schoolleiders, lerarenopleiders en onderwijsinspecteurs. Zelf lesgeven is nodig om de klaspraktijk te begrijpen. Dit verhoogt de onderwijskwaliteit en versterkt de positie van het leraarsberoep. ›› 
1 april | SGP | Verworpen: 52–98 |
Werken in het onderwijs
De kamer, overwegende dat het voor de ontwikkeling van de kwaliteit van het onderwijs en de positie van het leraarsberoep van groot belang is dat onderwijsbestuurders, lerarenopleiders en onderwijsinspecteurs ook ervaring hebben en houden met het geven van onderwijs; constaterende dat in de verschillende beroepsstandaarden het zelf geven van onderwijs niet of nauwelijks zichtbaar is als betekenisvol onderdeel van het werk van onderwijsbestuurders, lerarenopleiders en onderwijsinspecteurs; verzoekt de regering in overleg met het onderwijsveld en de onderwijsinspectie te bezien hoe het hebben en houden van ervaring met het geven van onderwijs betekenisvol onderdeel kan worden van standaarden, profielen en richtlijnen, waarbij rekenschap wordt gegeven van verschillen in rollen en bevoegdheden.

Beperken lerarenbonussen in grote steden

De regering moet bonussen voor leraren in grote steden beperken of reguleren. Deze premies trekken docenten weg bij omliggende gemeenten, waardoor daar lerarentekorten ontstaan. Een eerlijkere verdeling voorkomt klaslokalen zonder docent in kleinere plaatsen. ›› 
1 april | PVV | Verworpen: 33–117 |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat grote steden bonussen geven aan leraren die in hun stad les komen geven; overwegende dat dit ertoe leidt dat omringende gemeenten onvoldoende leraren kunnen aantrekken; verzoekt de regering het geven van bonussen voor het aantrekken van leraren in grote steden te beperken of te reguleren, om zo lerarentekorten in omliggende gemeenten tegen te gaan.

Meer expliciete directe instructie in onderwijs

De regering moet onderzoeken hoe expliciete directe instructie (EDI), een lesmethode met duidelijke doelen en veel oefenen, meer aandacht krijgt bij lerarenopleidingen. Deze aanpak verbetert de basisvaardigheden. Bovendien zorgt de structuur voor rust in de klas. Dat maakt werken in het onderwijs aantrekkelijker en pakt het lerarentekort aan. ›› 
1 april | JA21 | Aangenomen: 137–13 |
Werken in het onderwijs
De kamer, overwegende dat scholen goede resultaten boeken met methodes die uitgaan van de principes van expliciete directe instructie (EDI), met een nadruk op actieve betrokkenheid, duidelijke lesdoelen, expliciete instructie (voordoen, samen oefenen) en continue controle van begrip, langs een stapsgewijze aanpak, met klassenmanagement gericht op rust en duidelijkheid; overwegende dat deze methode voor de meeste kinderen goed werkt en met name ook effectief is voor het verkrijgen van basisvaardigheden; overwegende dat scholen waar rust en discipline heersen aantrekkelijker zijn om te werken en deze werkwijze dus ook een bijdrage is aan de strijd tegen het lerarentekort; overwegende dat veel lerarenopleidingen geen, nauwelijks of weinig aandacht hebben voor EDI; verzoekt de regering om in overleg met de sector te bezien hoe EDI een prominenter onderdeel kan worden bij lerarenopleidingen en daarbij te onderzoeken op welke manier expliciete directe instructie effectiever onder de aandacht van scholen, met name de achterblijvende scholen, kan worden gebracht.

Onderzoek naar de rol van de lezende leraar

De regering moet onderzoeken hoe de rol van de lezende leraar wordt vastgelegd in kennisbases (leerstof voor opleidingen), bekwaamheidseisen en bijscholing. Een leraar die zelf leest en kinderliteratuur kent, is essentieel voor de leesmotivatie en leesvaardigheid van leerlingen. Momenteel ontbreekt hiervoor nog een duidelijke regeling. ›› 
1 april | D66 |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat goed leesonderwijs vraagt om leraren die zelf leeservaring opbouwen, kinder- en jeugdliteratuur kennen en leerlingen kunnen begeleiden bij boekkeuze en leesgesprekken; constaterende dat uit onderzoekt blijkt dat de rol van de lezende leraar van groot belang is voor leesmotivatie en leesvaardigheid van leerlingen; overwegende dat nog onduidelijk is hoe deze rol expliciet wordt geborgd in de herijking van kennisbases, bekwaamheidseisen en professionalisering; verzoekt de regering te onderzoeken hoe de rol van de lezende leraar wordt verankerd in de kennisbases van lerarenopleidingen, in de bekwaamheidseisen en in de professionalisering van leraren.

Vaste lerarenraad voor onderwijsbeleid

De regering moet een lerarenraad instellen. Leraren staan dagelijks in de klas en zien precies wat werkt in de praktijk. Hun vaste inbreng maakt onderwijsbeleid uitvoerbaarder en effectiever voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. ›› 
1 april | D66 | Aangenomen: 136–14 |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat leraren dagelijks in de klas staan en daardoor goed zicht hebben op zowel de uitvoering van onderwijsbeleid als op de knelpunten en uitdagingen waar zij in de praktijk tegenaan lopen; overwegende dat het betrekken van leraren bij beleidsvorming kan bijdragen aan beter uitvoerbaar en effectiever onderwijsbeleid; overwegende dat het belangrijk is dat leraren als beroepsgroep een eigen stem hebben in gesprekken over het onderwijs; overwegende dat er op dit moment geen structurele adviesraad bestaat die wordt gevormd door leraren zelf en hen als beroepsgroep vertegenwoordigt via vakverenigingen en bonden; verzoekt de regering een lerarenraad in te stellen, die leraren een volwaardige stem aan tafel geeft en zowel gevraagd als ongevraagd advies kan geven aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Terugkeergarantie bij overstap naar onderwijs

De regering moet onderzoek doen naar een terugkeergarantie voor mensen die van een andere baan naar het onderwijs willen stappen. Nederland kampt met een tekort aan docenten. Zo'n garantie verlaagt de drempel, omdat werknemers weten dat ze terug kunnen naar hun oude baan. Voorbeelden uit Amsterdam en Den Haag tonen aan dat dit werkt. ›› 
1 april | D66, GL-PvdA | Aangenomen: 109–41 |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat Nederland kampt met een lerarentekort en dat zijinstromers een belangrijke rol vervullen bij het tegengaan hiervan; constaterende dat het aantrekkelijker maken van de overstap naar het onderwijs kan bijdragen aan een grotere instroom van zijinstromers; overwegende dat het bieden van een terugkeergarantie naar de huidige baan werknemers uit overheidssectoren en andere sectoren kan stimuleren om de overstap te maken naar het onderwijs; overwegende dat voorbeelden in Amsterdam en Den Haag laten zien dat een terugkeergarantie werkt om drempels weg te halen en zo meer werknemers de stap naar het onderwijs maken; verzoekt de regering onderzoek te doen naar een terugkeergarantie voor rijksambtenaren en werknemers die de stap willen maken naar een zijinstroomtraject binnen het onderwijs.

Regering moet lerarentekort volledig oplossen

De regering moet het volledige lerarentekort oplossen. Elk kind heeft recht op een bevoegde leraar. Het is onacceptabel dat de overheid zich neerlegt bij minder docenten op de lange termijn. Noodmaatregelen zoals een vierdaagse lesweek mogen nooit de norm worden. Het tekort is het gevolg van politieke keuzes en moet volledig worden weggewerkt. ›› 
1 april | GL-PvdA, JA21 |
Werken in het onderwijs
De kamer, overwegende dat het lerarentekort geen onvermijdelijk gegeven is, maar het resultaat van politieke keuzes; overwegende dat het onacceptabel is dat het kabinet lijkt voor te sorteren op een toekomst met «structureel minder leraren», zoals aangegeven in de brief op 24 maart 2026; overwegende dat de standaard onverminderd moet blijven dat ieder kind een bevoegde docent voor de klas heeft en dat noodmaatregelen, zoals de vierdaagse lesweek, nooit de standaard mogen worden; verzoekt de regering om altijd uit te blijven gaan van het oplossen en wegwerken van het volledige tekort.

Onderzoek naar onbevoegde docenten

De regering moet onderzoeken hoeveel onbevoegde docenten er voor de klas staan en hoe deze verdeeld zijn. Huidige cijfers tonen alleen vacatures, niet hoe scholen tekorten opvangen met stagiairs of andere noodmaatregelen. ›› 
1 april | GL-PvdA |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat de huidige cijfers over het lerarentekort slechts openstaande vacatures tonen en geen inzicht geven in hoe scholen omgaan met deze tekorten, zoals het aantal onbevoegden voor de klas; overwegende dat er grote verschillen zijn in het tekort aan leraren tussen scholen, waardoor de noodgrepen die scholen moeten toepassen sterk variëren; verzoekt de regering om te onderzoeken hoeveel onbevoegden er voor de klas staan en hoe de verdeling hiervan over verschillende scholen en schooltypes is; verzoekt de regering om te onderzoeken in welke mate scholen stagiairs en andere noodmaatregelen inzetten om tekorten op te vangen.

Onderzoek naar verdeling schoolbudgetten

De regering moet onderzoeken welk percentage van het schoolbudget naar lerarensalarissen gaat. Schoolbesturen geven te veel uit aan indirecte kosten zoals ICT en adviesbureaus, terwijl de leraar in de klas te weinig krijgt. Inzicht in de geldstromen laat zien of het budget rechtstreeks het onderwijs bereikt. ›› 
1 april | FVD | Verworpen: 52–98 |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat diverse experts en organisaties, zoals Beter Onderwijs Nederland, van mening zijn dat schoolbesturen onnodig veel geld uitgeven aan allerlei indirecte kosten, waaronder aan ICT, onderwijsbureaus en de schoolbesturen zelf, en te weinig aan het primaire proces, dus aan de leraar in of voor de klas; verzoekt de regering zo goed mogelijk te onderzoeken, indien mogelijk liefst uitgesplitst naar de omvang van het schoolbestuur en voor de afgelopen vijf jaar, welk deel (percentage) van al het geld dat schoolbesturen jaarlijks besteden ten goede komt aan de salarissen van leraren die in of voor de klas staan.

Grootte schoolbestuur en lerarentekort

Het kabinet moet onderzoeken of de omvang van schoolbesturen samenhangt met ziekteverzuim en verloop onder leraren. Leraren stoppen vaak door te weinig zeggenschap. In grote besturen ervaren docenten minder directe invloed op hun werk. ›› 
1 april | FVD | Verworpen: 43–107 |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat er sprake is van een lerarentekort; constaterende dat uit diverse onderzoeken is gebleken dat «te weinig professionele autonomie» een van de meest genoemde redenen is voor leraren om te stoppen met hun vak; overwegende dat in grote organisaties de afstand tussen het bestuur en de werkvloer logischerwijs groter is en dat dit kan resulteren in een gevoel van gebrek aan autonomie en zeggenschap op de werkvloer; verzoekt het kabinet te (laten) onderzoeken of er wellicht een positieve correlatie is tussen de omvang van het schoolbestuur (dat wil zeggen: het aantal leerlingen waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk is) en het ziekteverzuim en personeelsverloop onder leraren.

Hybride docentschap in vmbo en mbo

De regering moet onderzoeken of hybride docentschap mogelijk is voor beroepsgerichte vakken in het vmbo, vso en mbo. Hybride docenten combineren lesgeven met een andere baan. Zo blijven professionals werkzaam in kraptesectoren en brengen ze tegelijk praktijkkennis de klas in. Dit verkleint het lerarentekort zonder andere sectoren verder uit te putten. ›› 
1 april | CDA | Aangenomen: 147–3 |
Werken in het onderwijs
De kamer, constaterende dat professionals uit sectoren als techniek, ICT, zorg en andere tekortsectoren waardevolle praktijkkennis kunnen inbrengen in het onderwijs, maar dat zij vaak niet volledig kunnen of willen overstappen vanwege verplichtingen in hun huidige beroep; overwegende dat het onderwijs ook mensen moet kunnen aantrekken die een baan in een andere sector willen combineren met werken in het onderwijs; overwegende dat hybride docentschap kan bijdragen aan het verkleinen van het lerarentekort zonder tekorten in andere sectoren te vergroten; overwegende dat het coalitieakkoord inzet op het aantrekkelijker maken van zijinstroom en het wegnemen van drempels; verzoekt de regering om samen met de tekortsectoren te bezien of binnen de onderwijsregio’s animo is en mogelijkheden zijn voor het stimuleren van hybride docentschap voor de beroepsgerichte vakken in vmbo, vso en mbo, en de Kamer hierover te informeren.
31 maart, Goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer (Trb. 2020, 2 en Trb. 2020, 34) (36684)

Objectiveren definitie psychosociale arbeidsbelasting

De regering moet de definitie van psychosociale arbeidsbelasting in de Arbowet (Arbeidsomstandighedenwet) objectiveren. De huidige definitie is te subjectief, waardoor normen voor acceptabel gedrag op de werkvloer onduidelijk zijn. ›› 
31 maart | FVD | Verworpen: 26–124 |
Goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer (Trb. 2020, 2 en Trb. 2020, 34)
De kamer, constaterende dat psychosociale arbeidsbelasting (PSA) in de Arbowet wordt gedefinieerd als «de blootstelling aan factoren in de arbeidssituatie die stress teweegbrengen», waarbij stress wordt omschreven als «een toestand die als negatief ervaren lichamelijke, psychische of sociale gevolgen heeft»; constaterende dat deze definitie elementen bevat die in hoge mate subjectief van aard zijn – het gaat immers om wat een werknemer als negatief ervaart – en dat daarmee de grens tussen aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag op de werkvloer afhankelijk is van de individuele beleving van de betrokkene; constaterende dat de definitie van «psychosociale arbeidsbelasting» het juridische fundament vormt voor een reeks verplichtingen waaraan werkgevers zich vervolgens moeten houden; verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze de definitie van «psychosociale arbeidsbelasting» in de Arbowet kan worden geobjectiveerd, zodat het daarop gebaseerde beleid berust op kenbare, meetbare en toetsbare normen, en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren.

Geen extra regels door verdrag werkgeweld

De regering moet voorkomen dat een verdrag tegen werkgeweld leidt tot extra regels voor bedrijven. Bestaande wetgeving en de RI&E (risico-inventarisatie) dekken al voldoende. Internationale afspraken en open normen worden vaak gebruikt om nieuwe verplichtingen op te leggen of vereenvoudiging tegen te houden. Extra regeldruk voor ondernemers moet worden voorkomen. ›› 
31 maart | JA21, VVD |
Goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer (Trb. 2020, 2 en Trb. 2020, 34)
De kamer, constaterende dat de regering stelt dat de Nederlandse wet- en regelgeving nu al voldoet aan het Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer; overwegende dat ondernemers nu al verplicht zijn agressie, geweld en ongewenst gedrag in de RI&E op te nemen en dat hiervoor in sectoren als zorg, onderwijs en horeca al uitgebreide aanpakken bestaan; overwegende dat internationale afspraken in de praktijk vaker zijn aangegrepen om nationale regeldruk voor ondernemers niet te verminderen en dat open normen ruimte laten voor een rechterlijke interpretatie die kan uitpakken in steeds zwaardere verplichtingen voor werkgevers; verzoekt de regering te waarborgen dat implementatie en ratificatie van dit verdrag niet zal leiden tot aanvullende wettelijke verplichtingen, toezichtseisen of juridische druk voor ondernemers boven op het bestaande nationale kader; verzoekt de regering tevens te waarborgen dat dit verdrag niet zal worden gebruikt als argument om bestaande nationale regeldruk voor ondernemers niet te kunnen verminderen of vereenvoudigen.

Plan tegen agressie in winkels

De regering moet met werkgevers en werknemers een plan maken tegen agressie in winkels. Winkelmedewerkers worden steeds vaker geconfronteerd met geweld van klanten. De verplichte risico-inventarisatie (RI&E) moet daarom strenger worden gecontroleerd. ›› 
31 maart | D66, GL-PvdA | Aangenomen: 132–18 |
Goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer (Trb. 2020, 2 en Trb. 2020, 34)
De kamer, constaterende dat werknemers in de winkelstraat in het contact met de klanten steeds vaker te maken krijgen met onacceptabel geweld, agressie of intimidatie; overwegende dat veel werkgevers hun verantwoordelijkheid pakken om hun personeel goed te beschermen, maar er in sommige gevallen ook ruimte voor verbetering is; verzoekt de regering met werkgevers en werknemers een plan op te stellen voor het voorkomen en aanpakken van agressie in winkels en daarnaast te bezien of de normen voor het beschermen van werknemers effectief zijn en goed gehandhaafd worden, bijvoorbeeld door in de RI&E aandacht te hebben voor alleen staan in de winkel.