De regering moet in kaart brengen hoeveel vergunningen via een BOPA (een uitzondering op het omgevingsplan) worden verleend. De BOPA is bedoeld voor uitzonderingen, maar gemeenten gebruiken het nu te vaak als vervanging voor het aanpassen van het omgevingsplan. De regering moet maatregelen onderzoeken om de BOPA weer als uitzondering te gebruiken.
Motie van het lid Russcher over onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om het gebruk van de BOPA terug te brengen tot waarvoor die is bedoeld
De kamer,
constaterende dat uit de evaluatie van de werking van de Omgevingswet
blijkt dat gemeenten in de praktijk veelvuldig kiezen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) in plaats van een wijziging van het
omgevingsplan;
constaterende dat de bestaande monitoring wel inzicht biedt in het aantal
BOPA’s, maar geen volledig landelijk beeld geeft van de verhouding
tussen vergunningverlening via de BOPA en besluitvorming via een
wijziging van het omgevingsplan;
overwegende dat de BOPA is bedoeld als instrument voor afwijkingen van
het omgevingsplan en niet als structureel alternatief voor het actualiseren
daarvan;
overwegende dat zonder inzicht in de omvang en de oorzaken van het
gebruik van de BOPA niet kan worden beoordeeld of de systematiek van
de Omgevingswet in de praktijk functioneert zoals door de wetgever is
beoogd;
verzoekt de regering landelijk in kaart te brengen welk aandeel van de
omgevingsvergunningen via een BOPA wordt verleend ten opzichte van
een wijziging van het omgevingsplan;
verzoekt de regering te onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om het
gebruik van de BOPA terug te brengen tot het uitzonderlijke instrument
waarvoor die is bedoeld, en de Kamer hierover te informeren.
Argumenten voor: De partij stelt dat tijdelijke maatregelen die geen integrale visie bieden, woningtekorten niet structureel verhelpen [2]. Daarnaast wil de partij af van een 'visieloos grondbeleid' [1] en streeft zij naar een kwalitatieve benadering van de gebouwde omgeving [2]. Het gebruik van de BOPA als structureel instrument in plaats van een formele wijziging van het omgevingsplan zou kunnen strijden met de behoefte aan een integrale en gedegen visie op de ruimtelijke ordening [2].
Argumenten tegen:
Bronnen:
"De vraag naar woningen is groter dan het aanbod. Vooral het aantal éénpersoonshuishoudens zal sterk toenemen. Veel mensen kunnen geen betaalbare woning meer vinden. De afgelopen jaren zijn er pleisters geplakt op de wonden die het woonbeleid van de afgelopen decennia heeft achtergelaten. Jongeren kunnen amper aan een betaalbaar dak boven hun hoofd komen en de (ver)bouw zit klem in de stikstofcrisis. Daarom is het noodzakelijk dat het visieloze grondbeleid plaatsmaakt voor volkshuisvesting."
"De geschiedenis laat zien dat tijdelijke maatregelen - zoals versnelde bouw zonder kwaliteitsborging of integrale visie - woningtekorten niet structureel verhelpen. Een gedegen en goed functionerende volkshuisvesting is essentieel bij het streven naar brede welvaart voor Nederland. De woningnood vraagt niet alleen een kwantitatieve, maar vooral een kwalitatieve benadering. Terecht pleit het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs voor 'duurzamer, mooier en gezonder', in plaats van 'sneller, meer, goedkoper.' De gebouwde omgeving is nu verantwoordelijk voor 15% van de landelijke CO2-uitstoot. Het verduurzamen van de woningvoorraad verloopt nu onrechtvaardig en leidt tot energiearmoede. Mensen in sociale huurwoningen worden opgezadeld met hoge energierekeningen doordat woningcorporaties te weinig vaart maken met isoleren. Bovendien kan niet elke huiseigenaar investeren in zonnepanelen en zijn huurders voor een duurzaam en comfortabel huis afhankelijk van de wil en mogelijkheden van hun huisbazen. Het is dus vooral een kwestie van politieke wil om deze ontwikkeling te versnellen."