De regering moet onderzoeken met welke middenmachten — landen met een gemiddelde wereldwijde invloed — Nederland kan samenwerken. Dit is nodig om minder afhankelijk te worden van andere landen voor belangrijke zaken zoals energie, medicijnen en grondstoffen. De wereldorde verandert snel en we kunnen niet meer blind vertrouwen op oude bondgenootschappen.
Motie van het lid Van Lanschot c.s. over in kaart brengen met welke middenmachten op welke terreinen intensiever kan worden samengewerkt
De kamer,
overwegende dat de wereldorde snel verandert, waardoor Nederland en
Europa niet meer vanzelfsprekend kunnen leunen op klassieke bondgenootschappen en handelsstromen;
overwegende dat het daarom van belang is inzichtelijk te maken op welke
vlakken Europa strategisch afhankelijk is van andere landen, bijvoorbeeld
op het gebied van voedselzekerheid, kritieke grondstoffen, energie,
technologie, geneesmiddelen en defensie-industrie;
overwegende dat er in de samenwerking met middenmachten zoals India,
Indonesië, Brazilië, Turkije, Marokko, Australië, Canada en de Golfstaten
grote kansen liggen om de risico’s rond deze strategische afhankelijkheden te verminderen;
verzoekt de regering om in de verdere uitwerking van de Beleidsbrief
Buitenlandse Zaken in kaart te brengen met welke middenmachten op
welke terreinen (zoals voedselzekerheid, kritieke grondstoffen, energie,
technologie, geneesmiddelen en veiligheid) er potentie is om intensiever
samen te werken en welke stappen we daarvoor moeten nemen.
Argumenten voor: De partij stelt dat de geopolitieke verhoudingen onstuimig zijn en dat er minder dan voorheen op oude bondgenootschappen kan worden gerekend [1]. Daarnaast wil de partij de relatie met bindingslanden buiten de Europese grenzen, waaronder Indonesië, Turkije en Marokko, verbeteren [2] door specifiek diplomatiek beleid te voeren ter bevordering van de diplomatieke en economische betrekkingen met deze landen [3].
Argumenten tegen: Er is in het verkiezingsprogramma geen informatie te vinden die tegen het in kaart brengen van strategische afhankelijkheden of samenwerking met middenmachten pleit.
Bronnen:
"Als gastland van het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof dient Nederland altijd in te zetten op diplomatie, conflictbemiddeling en internationale gerechtigheid. Als DENK staan wij voor een land dat internationaal vooroploopt om deze waarden te dienen. Dat betekent dat Nederland een actieve en waardegedreven diplomatie moet voeren en ook op het gebied van ontwikkelingshulp verantwoordelijkheid moet nemen. De geopolitieke verhoudingen zijn onstuimig en we kunnen minder dan voorheen rekenen op oude bondgenootschappen. We zullen als Europa meer onze eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat betekent meer Europese samenwerking op internationaal gebied en op defensiegebied, zonder het verlies van onze eigen soevereiniteit. Dat geldt ook voor migratie, dat om een humane en duurzame aanpak vraagt. De oplossing ligt niet in een Europa dat zichzelf afsluit achter muren, maar in het creëren van legale migratieroutes en te investeren in klimaatrechtvaardigheid, het voorkomen van conflicten en het bevorderen van globale economische gelijkheid."
"Veel Nederlanders hebben hun wortels in een aantal bindingslanden buiten de Europese grenzen, zoals Suriname, Turkije, Marokko, de Caraïben en Indonesië. DENK staat voor het verbeteren van de relatie met deze landen waarmee wij een speciale band hebben. Daarom komen wij tot de volgende voorstellen:"
"Nederland gaat specifiek diplomatiek beleid voeren voor het bevorderen van de diplomatieke en economische betrekkingen met bindingslanden. De gemeenschappen in Nederland worden hierbij betrokken."