De regering moet in gesprek treden met de sector om oplossingen te zoeken voor de problemen van de pseudo‑eindheffing en voor 1 juni aan de Kamer rapporteren. De maatregel leidt tot hoge naheffingen voor werkgevers bij tijdelijk gebruik van fossiele voertuigen en legt extra administratieve lasten op rijscholen. ››
De regering moet fiscale regelingen met hoge administratieve lasten, zoals de WKR (werkkostenregeling) en de Wbso (wet belastingen op milieugrondslag), inventariseren, knelpunten in kaart brengen en samen met ondernemers concrete vereenvoudigingsvoorstellen uitwerken. Te veel administratiekosten houden ondernemers tegen om te investeren en te groeien. ››
De regering moet de belastingen op inkomen en arbeid verlagen door een eerlijkere belastingmix te kiezen. Zo blijft werken lonend en wordt de last niet éénzijdig bij gewone werknemers gelegd. ››
De regering moet voor de zomer opties bedenken voor een geleidelijke overgang naar de youngtimerregeling en dit in de wetgeving opnemen. Een plotselinge verhoging van de minimumleeftijd van 16 naar 25 jaar in 2027 zou grote problemen opleveren voor kopers en verkopers van youngtimers. ››
De regering moet onderzoeken of een doorschuifregeling bij huwelijksvermogensrechtelijke overgangen in box 3 mogelijk is zodat belasting pas wordt geheven wanneer er daadwerkelijk rendement wordt gerealiseerd. Dit voorkomt onnodige liquiditeitsproblemen bij huwelijk of echtscheiding wanneer er nog geen winst is gemaakt. ››
De regering moet onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de ongelijkheid tussen beleggers met een volatiel en een stabiel rendement kan verminderen. Beleggers met een wisselend rendement kunnen het belastingvrije bedrag niet meenemen naar volgende jaren en betalen daardoor meer belasting dan zij met een gelijk gemiddeld rendement zouden moeten. ››
De regering moet de ramingen van het budgettaire beslag van het rechtsherstel herzien. Het geschrapte verhoging van het box 3‑forfait vermindert de noodzaak tot rechtsherstel, waardoor ruimte kan ontstaan voor aanpassingen in box 3 en de overgang naar een vermogenswinstbelasting. ››
De Nederlandse regering moet in Brussel aandringen op behoud van het historische EU‑aandeel van ongeveer 23% in de makreelvangst. Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer hebben zich 80% van de makreel toe-eigenen, waardoor EU‑vissers een oneerlijk klein deel overhouden. ››
De regering moet zich in de EU inzetten voor een hogere vangstlimiet voor vissen. De Europese Unie hanteert nu veel strengere limieten dan kuststaten zoals Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. Dit zorgt voor oneerlijke concurrentie. Deze strenge regels brengen het voortbestaan van de Nederlandse visserij en onze onafhankelijke voedselvoorziening direct in gevaar. ››
De regering moet ervoor zorgen dat het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie niet leidt tot zwakkere veiligheidsnormen bij schadelijke stoffen. Zonder goede impactanalyse en met een nieuw risicogebaseerd toetssysteem kunnen schadelijke stoffen onopgemerkt op de markt komen. ››
De regering moet samen met de visserijsector werkbare alternatieven voor de aanlandplicht (de regel dat gevangen vis aan land moet worden gebracht) uitwerken en deze bij de Europese Commissie indienen. De huidige aanlandplicht werkt niet in de praktijk en de sector heeft behoefte aan uitvoerbare opties. ››
De regering moet in Europees verband pleiten voor meer ruimte om dierlijke mest te gebruiken binnen de bestaande stikstofnormen, zodat kunstmest kan worden vervangen. Kunstmest verbruikt fossiele energie en maakt ons afhankelijk van ingevoerde aardgas, terwijl dierlijke mest bijdraagt aan kringlooplandbouw en minder afhankelijkheid van buitenlandse grondstoffen. ››
De regering moet een samenhangende visie op de eiwitketen maken als onderdeel van de nationale voedselstrategie. Deze visie moet ook Europees worden uitgedragen. Dit zorgt voor een gezonder voedselsysteem, beter dierenwelzijn en maakt Nederland onafhankelijker in de voedselvoorziening. ››
26 maart | CDA, GL-PvdA, D66 | Aangenomen: 104–45 |
De regering moet met de provincie Zuid-Holland afspraken maken over woningbouwprojecten in Rijpwetering en Oud Ade. De provincie blokkeert nu de plannen. Deze woningen zijn nodig om de dorpen leefbaar en vitaal te houden. De provincie moet daarom ook haar rechtszaak tegen het bouwplan in Rijpwetering stopzetten. ››
De regering moet provincies oproepen geen alternatief beleid voor de Ladder voor duurzame verstedelijking te ontwikkelen. Het is onwenselijk dat provincies zelf vervangend beleid maken, omdat dat leidt tot versnippering en onduidelijkheid bij woningbouw. ››
De regering moet landelijke richtlijnen maken voor een uniforme toepassing van de Wet Bibob (wet tegen crimineel geld) bij woningbouwprojecten. Verschillende procedures per gemeente vertragen nu de bouw van nieuwe woningen. ››
De regering moet de Kamer een overzicht geven van de doorbraaklocaties die niet zijn geselecteerd, met per locatie een uitleg waarom ze niet zijn aangewezen. Zo kunnen meer plekken worden gebruikt voor woningbouw en de wooncrisis worden aangepakt. ››
De regering moet gemeenten oproepen terughoudend te zijn met het verhogen van bouwleges. Hoge bouwleges maken wonen duurder en belemmeren de bouw van nieuwe huizen. ››
De regering moet gemeenten oproepen om per direct te stoppen met het handhaven van uitzettingen op permanente bewoning van recreatiewoningen. Veel mensen wonen er noodgedwongen vanwege het woningtekort en lopen nu het risico op dwangsommen en dakloosheid. ››
De regering moet een pilot starten waarbij starters met drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek krijgen tot de hoogte van hun gemiddelde maandelijkse huur. Daarna moet zij de resultaten evalueren en aan de Kamer rapporteren. Huurgeschiedenis laat zien dat deze starters hun lasten kunnen dragen. ››