26 maart, Tweeminutendebat Fiscaliteit (CD 11/3)

Pseudo‑eindheffing: problemen voor werkgevers

De regering moet in gesprek treden met de sector om oplossingen te zoeken voor de problemen van de pseudo‑eindheffing en voor 1 juni aan de Kamer rapporteren. De maatregel leidt tot hoge naheffingen voor werkgevers bij tijdelijk gebruik van fossiele voertuigen en legt extra administratieve lasten op rijscholen. ›› 
26 maart | CDA, VVD | Aangenomen: 124–26 |
Herziening Belastingstelsel
De kamer, constaterende dat de pseudo-eindheffing in de uitvoering enkele onwenselijke effecten heeft voor werkgevers in het algemeen en autoverhuurbedrijven, schadeherstelbedrijven en rijscholen in het bijzonder; overwegende dat de voorgenomen pseudo-eindheffing leidt tot hoge naheffingen voor werkgevers bij incidenteel gebruik van een vervangend fossiel voertuig, feitelijk onhaalbare versnelde elektrificatie afdwingt bij schadeherstel- en verhuurbedrijven en extra administratieve lasten inhoudt voor onder andere rijscholen; verzoekt de regering in gesprek te treden met de sector om te werken aan oplossingsrichtingen voor de onwenselijke effecten van de pseudoeindheffing, en hierover aan de Kamer uiterlijk 1 juni nader te rapporteren.

Administratieve lasten ondernemers verminderen

De regering moet fiscale regelingen met hoge administratieve lasten, zoals de WKR (werkkostenregeling) en de Wbso (wet belastingen op milieugrondslag), inventariseren, knelpunten in kaart brengen en samen met ondernemers concrete vereenvoudigingsvoorstellen uitwerken. Te veel administratiekosten houden ondernemers tegen om te investeren en te groeien. ›› 
26 maart | CDA, VVD | Aangenomen: 105–45 |
Herziening Belastingstelsel
De kamer, constaterende dat ondernemers in Nederland te maken hebben met diverse fiscale regelingen die gepaard gaan met hoge administratieve lasten en complexiteit, waaronder de WKR en de Wbso; overwegende dat deze complexiteit leidt tot onnodige kosten, tijdsverlies en onzekerheid voor ondernemers, en daarmee een rem vormt op ondernemerschap, innovatie en groei; overwegende dat een eenvoudiger en voor ondernemers beter uitvoerbaar fiscaal stelsel bijdraagt aan een beter ondernemingsklimaat met meer ruimte voor innovatie en groei; verzoekt de regering om met prioriteit, vanuit het perspectief van ondernemers, fiscale regelingen met hoge administratieve lasten, waaronder in ieder geval de WKR en de Wbso, te inventariseren, knelpunten in kaart te brengen en in nauwe samenwerking met ondernemers en relevante belangenorganisaties concrete vereenvoudigingsvoorstellen uit te werken; verzoekt de regering de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag te informeren over de voortgang.

Belastingen op werk verlagen

De regering moet de belastingen op inkomen en arbeid verlagen door een eerlijkere belastingmix te kiezen. Zo blijft werken lonend en wordt de last niet éénzijdig bij gewone werknemers gelegd. ›› 
26 maart | GL-PvdA | Verworpen: 59–91 |
Herziening Belastingstelsel
De kamer, constaterende dat de komende kabinetsperiode de belastingen op inkomen en arbeid gaan stijgen met 13,7 miljard, op vermogen en winst met 2,7 miljard, op klimaat en milieu met 2,4 miljard en op de categorie overig met 1,6 miljard; van mening dat werken moet lonen en het dus onverstandig is om de rekening zo eenzijdig bij gewone werkende mensen te leggen; verzoekt de regering om bij het komende Belastingplan de belastingen op inkomen en arbeid te verlagen door met een betere belastingmix te komen.

Youngtimerregeling: geleidelijke overgang gewenst

De regering moet voor de zomer opties bedenken voor een geleidelijke overgang naar de youngtimerregeling en dit in de wetgeving opnemen. Een plotselinge verhoging van de minimumleeftijd van 16 naar 25 jaar in 2027 zou grote problemen opleveren voor kopers en verkopers van youngtimers. ›› 
26 maart | CU, D66 | Aangenomen: 124–26 |
Herziening Belastingstelsel
De kamer, overwegende dat met de aangenomen amendementen (36 812, nr. 102 en 36 813, nr. 9) op het Belastingplan 2026 de youngtimerregeling zodanig kort voor de ingangsdatum is gewijzigd dat daardoor onbedoelde neveneffecten voor verkopers en gebruikers van youngtimers zijn opgetreden, en dat deze effecten nog groter zullen worden als de minimumleeftijd vanaf 2027 in één stap van 16 naar 25 jaar gaat; overwegende dat deze onbedoelde neveneffecten te voorkomen zijn met een andere vormgeving van het transitiepad van de youngtimerregeling, bijvoorbeeld door de regeling te bevriezen op ingangsjaar 2012, gecombineerd met een hoger bijtellingspercentage over de economische waarde; spreekt uit dat moet worden afgezien van de verhoging van de minimumleeftijd voor youngtimers van 16 naar 25 jaar in 2027; verzoekt de regering voor de zomer met opties te komen voor een geleidelijker transitiepad voor de youngtimerregeling en dit vervolgens in de relevante wetgeving te verwerken; verzoekt de regering voorts een voorstel voor een e-timerregeling uit te werken, zodat elektrische leaseauto’s die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease niet langer massaal naar het buitenland worden geëxporteerd, en hierbij zo nodig een horizonbepaling te hanteren om een toekomstige onverwachte beëindiging van de regeling te voorkomen.

Doorschuifregeling bij huwelijksvermogen in box 3

De regering moet onderzoeken of een doorschuifregeling bij huwelijksvermogensrechtelijke overgangen in box 3 mogelijk is zodat belasting pas wordt geheven wanneer er daadwerkelijk rendement wordt gerealiseerd. Dit voorkomt onnodige liquiditeitsproblemen bij huwelijk of echtscheiding wanneer er nog geen winst is gemaakt. ›› 
26 maart | JA21 | Aangenomen: 121–29 |
Herziening Belastingstelsel
De kamer, overwegende dat vermogensovergangen bij huwelijk, echtscheiding of wijziging van huwelijksgemeenschap niet leiden tot daadwerkelijke realisatie van rendement; overwegende dat belastingheffing op dergelijke momenten onbedoelde liquiditeitsproblemen kan veroorzaken; overwegende dat in de winstsfeer reeds voorzien is in doorschuifregelingen bij vergelijkbare vermogensovergangen; verzoekt de regering te onderzoeken of een doorschuifregeling bij huwelijksvermogensrechtelijke overgangen in box 3 uitvoerbaar is zodat heffing plaatsvindt bij daadwerkelijke realisatie, daarbij zo nodig aanvullende dekkingsopties in het brede vermogensdomein te verkennen en de Kamer over de uitkomsten te informeren bij het Belastingplan 2027.

Heffingsvrij resultaat overdraagbaar maken

De regering moet onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de ongelijkheid tussen beleggers met een volatiel en een stabiel rendement kan verminderen. Beleggers met een wisselend rendement kunnen het belastingvrije bedrag niet meenemen naar volgende jaren en betalen daardoor meer belasting dan zij met een gelijk gemiddeld rendement zouden moeten. ›› 
26 maart | JA21 | Aangenomen: 121–29 |
Herziening Belastingstelsel
De kamer, constaterende dat het heffingsvrije resultaat van € 1.800 per jaar niet overdraagbaar is naar volgende jaren; overwegende dat belastingplichtigen met een volatiel rendement of vermogen in de vermogenswinstsystematiek het heffingsvrije resultaat structureel minder effectief kunnen benutten dan belastingplichtigen met een stabiel rendement, waardoor zij bij een gelijk gemiddeld rendement over langere tijd zwaarder worden belast; overwegende dat dit haaks staat op de in de memorie van toelichting geformuleerde doelstelling van fiscale neutraliteit tussen risicovol en stabiel beleggen; verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren, en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027.

Update rechtsherstel na box 3‑forfait

De regering moet de ramingen van het budgettaire beslag van het rechtsherstel herzien. Het geschrapte verhoging van het box 3‑forfait vermindert de noodzaak tot rechtsherstel, waardoor ruimte kan ontstaan voor aanpassingen in box 3 en de overgang naar een vermogenswinstbelasting. ›› 
26 maart | JA21, CU | Verworpen: 55–95 |
Herziening Belastingstelsel
De kamer, overwegende dat het aangenomen amendement-Grinwis c.s. de voorgestelde verhoging van het box 3-forfait voor overige bezittingen heeft geschrapt; overwegende dat een lager forfait er mede toe leidt dat de noodzaak tot rechtsherstel in bepaalde mate afneemt en de raming van het budgettaire beslag daarmee mogelijk bijstelling behoeft; overwegende dat meerdere voorstellen en moties dekking zoeken binnen het brede vermogensdomein; verzoekt de regering de raming van het budgettaire beslag van het rechtsherstel te herijken, mede in het licht van het aangenomen amendement, inzichtelijk te maken in hoeverre deze eventuele neerwaartse bijstelling ruimte kan bieden als incidentele dekking voor aanpassingen in box 3 en voor de financiering van de overgang naar een vermogenswinstbelasting, en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027.
26 maart, Tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026 (CD 24/3)

Makreelvangst: EU moet 23% behouden

De Nederlandse regering moet in Brussel aandringen op behoud van het historische EU‑aandeel van ongeveer 23% in de makreelvangst. Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer hebben zich 80% van de makreel toe-eigenen, waardoor EU‑vissers een oneerlijk klein deel overhouden. ›› 
26 maart | FVD | Aangenomen: 76–74 |
Landbouw- en Visserijraad
De kamer, constaterende dat de Europese Unie historisch een aandeel van circa 23% heeft in de makreelvangst; constaterende dat Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer in een eenzijdig akkoord buiten de EU om, 80% van de makreelvangst voor zichzelf opeisen, waardoor er slechts 20% overblijft voor de EU, Groenland en Rusland gezamenlijk; overwegende dat deze kuststaten zich hiermee een onevenredig groot aandeel toe-eigenen ten koste van de Europese en Nederlandse visserij, en dat de EU hiertegen onvoldoende een vuist maakt; verzoekt de regering om zich er in Brussel voor in te zetten dat de EU vasthoudt aan het historische aandeel van circa 23%, en, indien nodig, inzet op effectieve Europese maatregelen om dit aandeel af te dwingen.

Hogere Europese vangstlimiet voor visserij

De regering moet zich in de EU inzetten voor een hogere vangstlimiet voor vissen. De Europese Unie hanteert nu veel strengere limieten dan kuststaten zoals Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. Dit zorgt voor oneerlijke concurrentie. Deze strenge regels brengen het voortbestaan van de Nederlandse visserij en onze onafhankelijke voedselvoorziening direct in gevaar. ›› 
26 maart | FVD | Verworpen: 51–98 |
Landbouw- en Visserijraad
De kamer, constaterende dat de Europese Unie bij de vaststelling van de totale toegestane vangst (TAC) binnen de door ICES geschetste bandbreedte heeft gekozen voor het meest conservatieve scenario, dat leidt tot een extreme krimp van 70% en een maximale TAC van slechts 174.357 ton; constaterende dat andere kuststaten, te weten Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer-eilanden, een veel pragmatischer ICES-scenario hanteren met een aanzienlijk hogere TAC van 299.010 ton, wat gelijk staat aan een krimp van slechts 48%; overwegende dat deze eenzijdige Europese krimp leidt tot een volstrekt ongelijk speelveld, waarbij de Nederlandse pelagische visserij wordt geconfronteerd met een desastreuze quotumkorting van circa 69%, wat onze vloot en onafhankelijke voedselvoorziening in gevaar brengt; verzoekt de regering om zich er in Europees verband hard voor te maken dat de EU daadwerkelijk overgaat tot het loslaten van het meest conservatieve scenario, en, ter bescherming van een gelijk speelveld voor onze vissers, de TAC bijstelt naar het minder negatieve ICES-scenario van 299.010 ton dat ook door de andere kuststaten wordt gehanteerd.

Veiligheid bij Omnibusvoorstel chemische stoffen

De regering moet ervoor zorgen dat het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie niet leidt tot zwakkere veiligheidsnormen bij schadelijke stoffen. Zonder goede impactanalyse en met een nieuw risicogebaseerd toetssysteem kunnen schadelijke stoffen onopgemerkt op de markt komen. ›› 
26 maart | VVD, GL-PvdA | Aangenomen: 101–48 |
Landbouw- en Visserijraad
De kamer, overwegende dat versimpeling van wetgeving een goed uitgangspunt is, maar niet ten koste mag gaan van het veiligheidsniveau; overwegende dat de huidige versie van het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie geen impactassessment heeft en daardoor de impact moeilijker is in te schatten; overwegende dat het nieuwe herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen ingrijpend wordt aangepast door risicogestuurd te worden en dat hierover zorgen bestaan of zo’n nieuw systeem wel veilig genoeg is; overwegende dat dit niet mag leiden tot soepelere toetsing van schadelijke stoffen die hierdoor op de markt kunnen komen of in het milieu blijven; verzoekt het kabinet: – om er zorg voor te dragen dat het Omnibusvoorstel niet tot versoepeling ten koste van veiligheid leidt; – en er hierbij voor te zorgen dat het toetsingskader voor schadelijke stoffen niet wordt afgezwakt, zodat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu gehandhaafd blijft.

Werkbare alternatieven voor de aanlandplicht

De regering moet samen met de visserijsector werkbare alternatieven voor de aanlandplicht (de regel dat gevangen vis aan land moet worden gebracht) uitwerken en deze bij de Europese Commissie indienen. De huidige aanlandplicht werkt niet in de praktijk en de sector heeft behoefte aan uitvoerbare opties. ›› 
26 maart | BBB | Aangenomen: 119–30 |
Landbouw- en Visserijraad
De kamer, constaterende dat de Europese Commissie een evaluatie uitvoert van het gemeenschappelijk visserijbeleid en daarbij expliciet ruimte biedt voor het voorstellen van alternatieven; overwegende dat de huidige aanlandplicht in de praktijk voor de visserijsector niet uitvoerbaar is; overwegende dat er binnen de sector behoefte bestaat aan werkbare en handhaafbare alternatieven voor de aanlandplicht; verzoekt de regering om, in nauwe samenwerking met de visserijsector, de mogelijkheden voor werkbare alternatieven voor de aanlandplicht uit te werken en deze in te brengen bij de Europese Commissie.

Meer ruimte voor dierlijke mest

De regering moet in Europees verband pleiten voor meer ruimte om dierlijke mest te gebruiken binnen de bestaande stikstofnormen, zodat kunstmest kan worden vervangen. Kunstmest verbruikt fossiele energie en maakt ons afhankelijk van ingevoerde aardgas, terwijl dierlijke mest bijdraagt aan kringlooplandbouw en minder afhankelijkheid van buitenlandse grondstoffen. ›› 
26 maart | BBB | Verworpen: 53–96 |
Landbouw- en Visserijraad
De kamer, overwegende dat het vervangen van dierlijke mest door kunstmest binnen dezelfde stikstofgebruiksruimte geen verbetering van de waterkwaliteit oplevert; overwegende dat kunstmest leidt tot extra fossiel energiegebruik en grotere afhankelijkheid van import van aardgas; overwegende dat het benutten van dierlijke mest bijdraagt aan kringlooplandbouw, voedselzekerheid en minder afhankelijkheid van grondstoffen uit het buitenland, zeker in tijden van geopolitieke spanningen; verzoekt de regering in Europees verband actief te pleiten voor meer ruimte voor het gebruik van dierlijke mest binnen de bestaande stikstofgebruiksnormen, ter vervanging van kunstmest in de vorm van een diversenpunt bij de eerstvolgende Landbouw- en Visserijraad.

Visie op een duurzaam voedselsysteem

De regering moet een samenhangende visie op de eiwitketen maken als onderdeel van de nationale voedselstrategie. Deze visie moet ook Europees worden uitgedragen. Dit zorgt voor een gezonder voedselsysteem, beter dierenwelzijn en maakt Nederland onafhankelijker in de voedselvoorziening. ›› 
26 maart | CDA, GL-PvdA, D66 | Aangenomen: 104–45 |
Landbouw- en Visserijraad
De kamer, constaterende dat eiwitten van land en van zee essentieel zijn voor de voedselvoorziening, bodemkwaliteit en volksgezondheid; overwegende dat de eiwitketen van teelt via industrie tot consument loopt en integraal moet worden benaderd om tot een toekomstbestendig en autonoom voedselsysteem te komen; overwegende dat een samenhangende visie op eiwitten, zowel plantaardig als dierlijk, bijdraagt aan duurzaamheid, strategische autonomie, dierenwelzijn en verdienvermogen binnen de agrarische sector; verzoekt de regering om een concrete en samenhangende visie op de eiwitketen uit te werken als onderdeel van de nationale voedselstrategie; verzoekt de regering tevens om deze visie actief in Europees verband in te brengen en te bevorderen in het licht van de Europese voedselstrategie en de European protein strategy.
26 maart, Tweeminutendebat Staat van de Volkshuisvesting (CD 11/3)

Woningbouw in Rijpwetering en Oud Ade

De regering moet met de provincie Zuid-Holland afspraken maken over woningbouwprojecten in Rijpwetering en Oud Ade. De provincie blokkeert nu de plannen. Deze woningen zijn nodig om de dorpen leefbaar en vitaal te houden. De provincie moet daarom ook haar rechtszaak tegen het bouwplan in Rijpwetering stopzetten. ›› 
26 maart | PVV, JA21, CU, Markusz | Aangenomen: 123–27 |
Integrale visie op de woningmarkt
De kamer, constaterende dat de landelijk gelegen gemeente Kaag en Braassem kleinschalige woningbouw wil realiseren in de dorpen Rijpwetering en Oud Ade, maar dat dit wordt bemoeilijkt door de Provincie Zuid-Holland; overwegende dat er groot lokaal draagvlak is voor genoemde woningbouw, aangezien het een onmisbare bijdrage levert aan het behouden van de leefbaarheid en vitaliteit van deze kleine kernen; verzoekt de regering met de provincie Zuid-Holland in gesprek te gaan over woningbouwprojecten Straathof te Rijpwetering en Zuidrand te Oud Ade in de gemeente Kaag en Braassem, teneinde een doorbraak te forceren voor deze woningbouwprojecten, en hiertoe zo nodig instrumentarium in te zetten; verzoekt de regering er tevens zorg voor te dragen dat de provincie Zuid-Holland haar beroep tegen het woningbouwplan in Rijpwetering intrekt en gezamenlijk te komen tot een oplossing.

Geen vervangend beleid voor de Ladder verstedelijking

De regering moet provincies oproepen geen alternatief beleid voor de Ladder voor duurzame verstedelijking te ontwikkelen. Het is onwenselijk dat provincies zelf vervangend beleid maken, omdat dat leidt tot versnippering en onduidelijkheid bij woningbouw. ›› 
26 maart | PVV | Aangenomen: 120–30 |
Integrale visie op de woningmarkt
De kamer, constaterende dat het vorige kabinet de Ladder voor duurzame verstedelijking voor woningbouw heeft geschrapt; overwegende dat het onwenselijk is wanneer provincies beleid ontwikkelen dat dient ter vervanging van de Ladder voor duurzame verstedelijking; verzoekt de regering provincies op te roepen geen alternatief of vervangend beleid te ontwikkelen dat hetzelfde doel of dezelfde werking heeft als de geschrapte Ladder voor duurzame verstedelijking bij woningbouw.

UniformeBibob-toepassing voor woningbouw

De regering moet landelijke richtlijnen maken voor een uniforme toepassing van de Wet Bibob (wet tegen crimineel geld) bij woningbouwprojecten. Verschillende procedures per gemeente vertragen nu de bouw van nieuwe woningen. ›› 
26 maart | PVV | Aangenomen: 144–6 |
Integrale visie op de woningmarkt
De kamer, constaterende dat gemeenten hun eigen beleid hanteren bij de toepassing van de Wet Bibob, waardoor investeerders in woningbouwprojecten met verschillende procedures en eisen tussen gemeenten te maken krijgen; overwegende dat onnodige verschillen in de toepassing van Bibobprocedures de voortgang van woningbouwprojecten kunnen vertragen; overwegende dat meer uniformiteit en duidelijkheid in de toepassing van Bibob bij woningbouwprojecten kan bijdragen aan snellere woningbouw; verzoekt de regering in samenwerking met gemeenten en andere relevante partners te komen tot landelijke richtlijnen of een modelaanpak voor een meer uniforme en vereenvoudigde toepassing van de Wet Bibob bij woningbouwprojecten.

Overzicht niet geselecteerde doorbraaklocaties

De regering moet de Kamer een overzicht geven van de doorbraaklocaties die niet zijn geselecteerd, met per locatie een uitleg waarom ze niet zijn aangewezen. Zo kunnen meer plekken worden gebruikt voor woningbouw en de wooncrisis worden aangepakt. ›› 
26 maart | PVV | Aangenomen: 146–4 |
Integrale visie op de woningmarkt
De kamer, constaterende dat 24 doorbraaklocaties voor woningbouw zijn aangewezen en dat deze locaties zijn geselecteerd uit een bredere groep van mogelijk kansrijke locaties; overwegende dat het voor het aanpakken van de wooncrisis van belang is dat zo veel mogelijk woningbouwlocaties tot ontwikkeling komen; overwegende dat inzicht in de redenen waarom andere potentiële doorbraaklocaties niet zijn geselecteerd kan bijdragen aan het alsnog benutten van deze locaties; verzoekt de regering de Kamer een overzicht te doen toekomen van de niet geselecteerde doorbraaklocaties, met per locatie een toelichting waarom deze niet is aangewezen.

Bouwleges niet verhogen om woningbouw te helpen

De regering moet gemeenten oproepen terughoudend te zijn met het verhogen van bouwleges. Hoge bouwleges maken wonen duurder en belemmeren de bouw van nieuwe huizen. ›› 
26 maart | PVV | Aangenomen: 103–47 |
Integrale visie op de woningmarkt
De kamer, constaterende dat uit onderzoek van de Vereniging Eigen Huis naar bouwleges blijkt dat de kosten in een aantal gemeenten zeer hoog zijn en dat deze tussen gemeenten sterk verschillen; overwegende dat bouwleges volgens het kostendekkingsprincipe niet bedoeld zijn om extra inkomsten voor gemeenten te genereren; overwegende dat voorkomen moet worden dat hoge bouwleges een belemmering vormen voor woningbouw; verzoekt de regering gemeenten op te roepen terughoudend te zijn met het verhogen van bouwleges, deze te baseren op het kostendekkingsprincipe en te voorkomen dat de hoogte van bouwleges de woningbouwopgave belemmert.

Stop uitzettingen in recreatiewoningen

De regering moet gemeenten oproepen om per direct te stoppen met het handhaven van uitzettingen op permanente bewoning van recreatiewoningen. Veel mensen wonen er noodgedwongen vanwege het woningtekort en lopen nu het risico op dwangsommen en dakloosheid. ›› 
26 maart | BBB | Verworpen: 40–110 |
Integrale visie op de woningmarkt
De kamer, constaterende dat mensen door het woningtekort noodgedwongen permanent in recreatiewoningen wonen; constaterende dat deze bewoners, ondanks hun langdurige verblijf, geconfronteerd worden met dreigende uitzettingen en dwangsommen; overwegende dat het onacceptabel is dat mensen zonder alternatief op straat dreigen te belanden; verzoekt de regering om opnieuw gemeenten met klem op te roepen per direct te stoppen met handhaving op permanente bewoning van recreatiewoningen; verzoekt de regering de instructieregel voor het zomerreces in werking te laten treden.

Pilot hypotheek via huurgeschiedenis voor starters

De regering moet een pilot starten waarbij starters met drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek krijgen tot de hoogte van hun gemiddelde maandelijkse huur. Daarna moet zij de resultaten evalueren en aan de Kamer rapporteren. Huurgeschiedenis laat zien dat deze starters hun lasten kunnen dragen. ›› 
26 maart | FVD | Aangenomen: 127–23 |
Integrale visie op de woningmarkt
De kamer, constaterende dat starters met een aantoonbare huurgeschiedenis vaak geen passende hypotheek kunnen krijgen ondanks bewezen betaalcapaciteit; overwegende dat deze huurgeschiedenis een betrouwbare indicator is van draagkracht; verzoekt de regering in overleg met financiële instellingen en relevante toezichthouders een pilot op te zetten waarbij starters op basis van minimaal drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek kunnen verkrijgen ter hoogte van de gemiddelde maandelijkse huur, en de resultaten hiervan te evalueren en aan de Kamer te rapporteren.